Gedicht: Jotie T’Hooft • O, al de balzalen van mijn jeugd

O, al de balzalen van mijn jeugd
zijn nu bestoft en door velen verlaten.
De vrienden die er bleven zijn mij vreemd,
maken geluid door de barst in hun gelaten.

Onder de slingers en het licht van weleer
zetten zij de polka verder van de dromen,
de quick-step van het verjaarde zeer
cirkels dansend om nooit aan te komen.

Dancings waarin spreken spasme wordt
vriendschap sjacheren met moederkoren
en waar mijn hart toen is verdord
want de zachtheid ging erin verloren

aan mijn dorst naar geilheid en glamour.
Ik ben vrucht en kan slechts vallen;
gij roept mij toe: ‘l’amour, toujours l’amour’
maar ik zie u: likkebaarden, lallen.

Jotie T’Hooft (1956-1977)
uit: Junkieverdriet (1976)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.