Extreme sonnetten: Paul Claes – alba

alba 

Een schijn 
een schicht 
wellicht 
een sein   

een lijn 
van licht 
door ’t dicht 
gordijn  

 op ’t licht 
velijn 
van mijn   

gezicht 
zo dicht 
bij ’t zijn.

(Paul Claes, Rebis)

Poëzie is geconcentreerde taal, maar soms kan taal zo geconcentreerd zijn dat ze niet langer gewaardeerd wordt als poëzie – hooguit als taalacrobatiek. Maar zoals het grensgebied zacht en lieflijk glooit tussen poëzie en de niet-geconcentreerde taal die we proza noemen, zo merk je ook eigenlijk niet als je vanuit het Opperlands ineens beland bent in de poëzie.

Paul Claes is een dichter die vaak toch al eerder als acrobaat dan als kunstenaar wordt gezien. In zijn werk zet hij zoveel geleerdheid in, en hij beheerst zijn vormen zo tot in de puntjes dat hij – in ieder geval naar mijn indruk – minder serieus wordt genomen dan wanneer hij zijn gevoelens zo op het beeldscherm zou kwakken.

Zijn bundel Rebis, uit 1989, bijvoorbeeld lijkt eigenlijk te knap om serieus te worden genomen, ook niet door liefhebbers die heus de celebraliteit durven celebreren, en die ook wel weten dat in een gedicht sowieso over ieder woord kan worden nagedacht. Je moet kennelijk toch ook weer niet teveel over gedichten denken.

Bij mijn weten is de enige serieuze bespreking van de bundel geschreven door Christine D’haen; deze verscheen indertijd in De Revisor en staat sinds een tijdje op het internet. Zij wijst erop dat het gedicht bestaat uit regels van telkens een jambe – de gebruikelijke versvoet in het Nederlandse sonnet al staan er meestal vijf of zes van in een regel en niet één – en dat het keurig rijmt, of zelfs meer dan keurig want er worden slechts twee rijmklanken gebruikt. Ze geeft er bovendien een knappe interpretatie van, laat zien hoe het gedicht in al zijn gecomprimeerde kracht de grotere sonnetten die erop volgen aankondigt, hoe het als het ware een knop vormt waar de bloem al inzit.

Mij valt bij dat alles op hoe vreselijk moeilijk het te lezen is, zelfs met de uitleg van D’haen, hoe lastig het is je aandacht te houden bij een tekst waarvan ieder inhoudswoord een rijmwoord is. Hoe komt dat toch? Waardoor hebben rijm en metrum dat effect dat ze in proza vrijwel helemaal taboe zijn en zelfs in poëzie als ze te strak zijn de aandacht afleiden?

Opvallend is dat D’haen alba beschouwt als het eerste gedicht in de reeks, terwijl er nog een gedicht aan voorafgaat, nóg een sonnet zelfs, op een bepaalde manier beschouwd, maar nu een zonder metrum (dat is waarschijnlijk de reden dat D’haen het negeerde):

‘o 

Glad
dit 
blad, 
wit.   

Nat 
git 
spat, 
klit.

Tart
drift, 
zwart 

gift
hard 
schrift.’

Ook hier weer een onberispelijk rijmschema, en een metrum dat je best als metrisch kunt interpreteren (bijvoorbeeld als trocheïsch met een catalectische laatste lettergreep). Er wordt een coherente en niet eens zo heel geheimzinnige mededeling gedaan, maar je moet je enorm concentreren om het te kunnen lezen. Of ‘je’, ik moet dat in ieder geval. Het gedicht beschrijft het ontstaan van een gedicht het moment dat een gedicht ontstaat, dat het zwarte inkt het witte blad raakt.

Als het jambische sonnet een knop was, is dit dus een ontkiemend zaadje.

Totdat je ontdekt dat er eigenlijk nog een woord aan voorafgaat: ‘o’. Misschien is dat wel het allerkortste sonnet ooit geschreven.

Dit stuk verscheen eerder op Ooteoote,