De wetten van Mozes

Oude Folklore in het Oudfries, deel 4

Het schilderij The Finding of Moses van Engels-Friese schilder sir Lawrence (Lourens) Alma-Tadema. Bron: Wikimedia Commons

Door Arjan Sterken

Zodra je werkt met oude rechtsbronnen, dan kan je ervan uitgaan dat de meeste folklore betrekking heeft tot recht. In de eerste en tweede aflevering van deze reeks hebben we al kunnen zien hoe het recht op eigen wetten van Karel de Grote afstamt, althans volgens de Friezen zelf. Deze verwijzing naar het historische figuur Karel de Grote is zeer waarschijnlijk een autoriteitsargument: deze historische grootheid heeft ons het recht verschaft, dus durf daar maar eens aan te komen! Karel de Grote is echter niet de enige stem uit het verleden die legitimiteit aan de Friese wetten geeft. Veel Oudfriese rechtsbronnen geven aandacht aan de oorsprong van het recht in de proloogteksten, en Jus Municipale Frisonum voegt daar ook nog het Rudolfsboek en de tekst Over de wetgeving aan toe. Vele figuren passeren de revue in deze teksten, maar vandaag ga ik het hebben over de meest populaire (naast Karel de Grote dan): Mozes.

De teksten die hierboven worden genoemd geven een uitgebreide genealogie van koningen die sinds Bijbelse tijden het recht hebben doorgegeven. Meestal is dit een lijn die bij God begint, via Mozes langs allerlei Bijbels figuren gaat, en dan via Romeinse keizers naar Germaanse vorsten. Deze lijsten zijn niet altijd hetzelfde, en verschillen in het aantal en welke koningen worden genoemd. Een enkele keer, zoals in Over de wetgeving, vinden we meerdere bronnen voor de oorsprong van het recht. De Egyptenaren kregen het van Mercurius, in Athene van Solon, de Spartanen van Lycurgus, die het van een afgod kreeg. De Grieken (buiten Athene dan?) kregen het uit de Pentateuch (de eerste vijf boeken van het Oude Testament), bemiddeld door Foroneus (Buma en Ebel 1977a, p. 60-63). In het Rudolfsboek, uit hetzelfde handschrift, liggen de zaken toch enigszins anders. Daar worden twee bronnen gegeven voor al het recht op de wereld. De Joden hebben het uit de Pentateuch (die volgens de traditie door Mozes zijn samengesteld), en de Grieken uit hun eigen wijsheid (Buma en Ebel 1977b, p. 366-367).

Mozes krijgt de wetten van God. Op veel tekstplaatsen in de Oudfriese rechtsbronnen wordt dit gelijk gesteld met het krijgen van de twee stenen tafelen, zoals beschreven in het Bijbelboek Exodus. God schrijft met zijn eigen vingers op de stenen tafelen, waarna Mozes ze krijgt. In sommige teksten is er ook een verdeling te zien in de twee tafelen: één bevat wereldlijk recht, en de ander bevat kerkelijk recht. Volgens het Rudolfsboek (uit Jus Municipale Frisonum) was dit toch enigszins anders: Mozes gaf het wereldlijk recht, terwijl zijn broer Aaron, de priester, het kerkelijk recht gaf (Buma en Ebel 1977b, p. 350-353). Het beeld van de twee stenen tafelen is zo bekend dat het zelfs terug te vinden is in de Magnussage: het verkrijgen van de Magnuskeuren is als het ontvangen van de stenen tafelen, echter niet door God zelf maar door bijna-God Karel de Grote(Buma en Ebel 1977a, p. 134-135; Sjölin 1970, p. 262-263).

De indeling van wereldlijk recht en kerkelijk recht is niet terug te vinden in de Bijbel zelf. Het lijkt erop dat de oude Friezen niet per se Bijbelvast waren in de late middeleeuwen. We vinden zeker christelijke verhalen in de Oudfriese bronnen, maar deze zijn niet altijd Bijbels. Zo vinden we In de Jongere Proloog uit het Eerste Rüstringer Handschrift een verwijzing naar de legende van sint Helena die het kruis waaraan Christus stierf wist op te sporen via een droom (Buma en Ebel 1963, p.28-29). Als er wel een verhaal uit de Bijbel wordt naverteld, dan is deze lang niet altijd Bijbelgetrouw. Het lijkt erop dat de Bijbel niet de directe bron is van de meeste verhalen. Het lijkt er eerder op dat deze verhalen, vaak te vinden in de Prologen van manuscripten, gebaseerd waren op orale versies die vervolgens door de kopiist op eigen wijze op schrift terecht kwam.

Eén van de zaken die we vaak terugvinden in de verhalen over de wetten van Mozes is een periode van veertig tijdseenheden. Soms gaat het om de veertig jaar die de Joden in de wildernis doorbrachten voordat ze hun latere woonplaats introkken, zoals in het Eerste Emsinger Handschrift (Buma en Ebel 1967, p. 16-19). In de Jongere Proloog (uit het Eerste Rustringer Handschrift) en Hwana Riocht Aerst Koem (uit Jus Municipale Frisonum) geeft God het recht aan Mozes na veertig dagen en nachten vasten (Buma en Ebel 1963, p. 24-27; Buma en Ebel 1977a, p. 70-71).

Sinds het recht van God komt (Murdoch 1998, p 216), houdt men zich als goed christen ook aan de wet, of heeft men sowieso wetten (Johnstron 1998, p. 182). Als men zich als christen niet aan deze wetten houdt, dan volgt er natuurlijk een goddelijke straf (Murdoch 1998, p. 242). Vaak wordt het model van de Farao gebruikt die met zijn leger in de Rode Zee verdronk: houd je niet aan de wet, en dan gebeurt er hetzelfde met jou. Als je je aan de wet houdt, dan ga je naar het koninkrijk Gods; zo niet, dan sterf je als het leger van de Farao en ga je naar de hel. Dit is een veelgebruikte exegetische vergelijking in de middeleeuwen (Murdoch 1998, p. 224).

De meeste verschillen met het Bijbelse verhaal zijn te vinden in de Proloog van het Eerste Emsinger Handschrift (Buma en Ebel 1967, p. 16-19). Deze tekst vat een groot gedeelte van het Exodus-verhaal samen, maar voegt wat details toe. Terwijl de Joden veertig jaar in de woestijn zitten, zorgt God voor hen. Zo geeft hij hen manna om zich mee te voeden, een motief dat we ook uit de Bijbel kennen. Ietwat aangepaste elementen zijn de wolkkolom en vuurkolom. In de Bijbel worden deze elementen geïntroduceerd in Exodus 13:21-22, waarbij de wolkkolom de Joden gedurende de dag leidt, en de vuurkolom gedurende de nacht, zodat ze de hele tijd kunnen reizen. De vraag is waarom hun reis dan veertig jaar duurde, maar dat is een andere discussie. In de tekst uit het Eerste Emsinger Handschrift is de motivatie enigszins anders: de wolkkolom beschermt tegen de hitte van de dag, en de vuurkolom tegen de kou van de nacht. Helemaal nieuw zijn de maatregelen van God dat de Joden geen hoofdpijn krijgen tijdens hun reis, noch dat hun kleren konden slijten.

En hoe zit het met de Tien Geboden zelf? Dit is één van de teksten die vrijwel in alle Oudfriese manuscripten voorkomt, maar niet altijd in het Oudfries: vaak vinden we ze in het Latijn (Johnston 1998, p. 183). We vinden nogal wat verschillen, maar dat is niet zo gek: ook in de Bijbel zijn er twee versies (Exodus 20:3-17 en Deuteronomium 5:7-21) die van elkaar afwijken. De verschillen in het Eerste Hunsingoër Handschrift zijn te verklaren door de kerstening van de context. Waar de Bijbelse teksten niet specifiek christelijk zijn (omdat ze binnen het Oude Testament vallen, dat van oorsprong Joodse teksten bevat), is dat hier wel het geval. Zo moet men de medechristenen net zo liefhebben zoals zichzelf, in plaats van dat men zijn of haar naasten moet liefhebben (inderdaad geen gebod van de Tien Geboden, maar afkomstig uit het Nieuwe Testament, beginnende bij Marcus 12:30). Ook hoeft men niet de sabbat in acht te nemen, maar de zondag. Daarnaast mag men niet de vrouw en de goederen van een medechristen begeren. Ingrijpender is de verandering dat men God meer moet liefhebben dan de eigen vader en moeder (Hoekstra 1950, p. 167). De veranderingen in Jus Municipale Frisonum zijn wat minder extreem, maar één is wel interessant om bij stil te staan. Mag men in de Bijbelse teksten God’s naam niet ijdel gebruiken, in Hwana Riocht Aerst Koem wordt de taal iets judiciëler: men mag geen meineed zweren (wrswerra) met de naam van God. Zo zien we maar: ook God’s eeuwige wet wordt met de tijd en context aangepast.

Referenties

Primaire bronnen

Buma, Wybren Jan, en Wilhelm Ebel, vert. 1963. Das Rüstringer Recht. Göttingen: Musterschmidt-verlag.

Buma, Wybren Jan, en Wilhelm Ebel, vert. 1967. Das Emsiger Recht. Göttingen: Vandenhoeck und Ruprecht.

Buma, Wybren Jan, en Wilhelm Ebel, vert. 1977a. Westerlauwerssches Recht I: Jus Municipale Frisonum, Erster Teil. Göttingen: Vandenhoeck und Ruprecht.

Buma, Wybren Jan, en Wilhelm Ebel, vert. 1977b. Westerlauwerssches Recht I: Jus Municipale Frisonum, Zweiter Teil. Göttingen: Vandenhoeck und Ruprecht.

Hoekstra, J., red. 1950. De Eerste En de Tweede Hunsinger Codex. Den Haag: Martinus Nijhoff.

Sjölin, B., vert. 1970. Die ‘Fivelgoer’ Handschrift. Den Haag: Martinus Nijhoff.

Secundaire Literatuur

Johnston, Thomas. 1998. ‘Old Frisian Law and the Frisian Freedom Ideology: Text and Manuscript Composition as a Marketing Device’. In Approaches to Old Frisian Philology, geredigeerd door Rolf Bremmer, Thomas Johnston, en Oebele Vries, 179–214. Amsterdam: GA.

Murdoch, Brian. 1998. ‘Authority and Authenticity: Comments on the Prologues to the Old Frisian Laws’. In Approaches to Old Frisian Philology, geredigeerd door Rolf Bremmer, Thomas Johnston, en Oebele Vries, 215–44. Amsterdam: GA.