‘De Jood en de Touwslager’ (1840)

Jeugdverhalen over joden (92)

Door Ewoud Sanders

Auteur: onbekend
Moraal: heb je vijand lief; wraak is zoet

Herkomst en drukgeschiedenis

Het verhaal ‘De Jood en de Touwslager’ is te vinden in het Leesboek voor de jeugd, in voorbeelden ter opwekking van deugd en goede zeden. Over het doel van dit boek schrijft de anonieme schrijver in zijn voorbericht: ‘Ofschoon de mensch zwak blijft, zoo lang hij hier op aardt verkeert en de door ondervinding geleerde grijsaard evenmin boven struikelingen verheven is, als de nog onervarene jongeling; zoo kan het nogtans niet dan heilzaam zijn, der jeugd vroegtijdig de menschelijke zwakheden te leeren kennen en hen op te wekken tot het betrachten van die deugden, welke den grondslag leggen voor hun volgend geluk.’

         Het Leesboek voor de jeugd werd uitgegeven door uitgeverij Schalekamp, Van de Grampel en Bakker in Amsterdam. De eerste druk verscheen in 1840, de zesde, herziene druk in 1873. In de samenvatting is geciteerd uit de eerste druk.

Samenvatting

Een voorheen welgestelde joodse handelaar is tot armoede vervallen. Aan een rijke christelijke handelaar, met wie hij veel zaken heeft gedaan, vraagt hij drie gulden te leen. ‘Ik ben thans arm’, zegt hij, ‘mijne vrouw en vijf kinderen lijden broodsgebrek, daarom help mij, en God zal het u loonen!’

         De christelijke koopman antwoordt hardvochtig: ‘Ga heen jood. Hadt gij beter op uwe zaken gepast, zoo zoudt gij thans mijne hulp niet behoeven.’

         Vervolgens klopt de aan lager wal geraakte jood aan bij een van zijn geloofsgenoten. Deze ‘rijke woekeraar’ antwoordt: ‘Gij hebt in weelde uw geld verkwist, zie thans hoe gij het maakt. Ik heb zelf een talrijk huisgezin en heb het mijne wel noodig.’

         Met ‘wanhoop in het hart’ keert de joodse handelaar naar huis. Hij treft zijn gezin rond een rijk gedekte tafel aan. ‘Heeft God zich goedertierender jegens mij vertoond dan de menschen, is er een wonder geschied?’, vraagt hij aan zijn vrouw Sara.

         Zij vertelt dat ‘Simon de touwslager’ hulp heeft geboden. Haar man is verbaasd, want het jaar ervoor heeft hij Simon ‘beleedigd en in zijnen handel (…) zeer benadeeld’.

         De jood spoedt zich naar Simon, dankt hem en vraagt om vergiffenis. Simon antwoordt: ‘Weet gij dan niet, dat ik een Christen ben. (…) Het is u welligt niet bekend dat de leer der Christenen wil, dat wij ook onze vijanden zullen liefhebben en hun weldoen.’

         Moraal, in dichtvorm: ‘De Christen noemt elk mensch zijn broeder, / En biedt zijn’ hulp hem aan: / Want zoo is ook zijn groote meester, / Hem altijd voorgegaan.’

Varianten

Van de eerste tot de vijfde druk (verschenen omstreeks 1865) bleef de tekst gelijk. De zesde druk, gepubliceerd in 1873, werd herzien door A. Vos, hoofdonderwijzer in Amsterdam. ‘Om het boekje zoo algemeen mogelijk bruikbaar te doen blijven, heb ik het noodig geacht eenige lessen naar den vorm te wijzigen, uit andere sommige uitdrukkingen, die mij minder gepast voorkwamen, te verwijderen en nog andere door nieuwe te vervangen’, aldus Vos in het voorwoord.

         Bij het verhaaltje ‘De Jood en de Touwslager’ leidde dit tot een opmerkelijke verandering, namelijk die van de moraal. In plaats van ‘Weet gij dan niet (…) dat de leer der Christenen wil, dat wij ook onze vijanden zullen liefhebben en hun weldoen’, laat hij Simon tegen de jood zeggen: ‘Weet ge dan niet, dat het eene zoete wraak is zijn’ vijanden wel te doen.’

         Vos schrapte ook het slotversje.

Doelgroep en receptie

Van het Leesboek voor de jeugd heb ik geen besprekingen gevonden.