Een eigen eindexamen Nederlands

Door Peter-Arno Coppen

Het kan blijkbaar ook zonder. Aangezien de centraal schriftelijke eindexamens dit jaar niet doorgaan, studeert het huidige cohort eindexamenleerlingen af zonder het beruchte examen Nederlands (of leesvaardigheid, moet je eigenlijk zeggen). Daar zijn ze natuurlijk wel jarenlang op voorbereid, en de resultaten van deze toets convergeerden toch altijd al zeer sterk naar de voldoendegrens, Veel spijt zullen de leerlingen er dus niet over hebben, want je kon hier toch niet goed op excelleren. Voor het verkrijgen van voldoening over je leesvaardigheid hoef je het eindexamen Nederlands niet te doen. Wat maakt het eigenlijk uit?

Daar komt bij dat het eindexamen Nederlands ook in de curriculumontwikkeling een hete aardappel lijkt, die nog niemand echt in de mond heeft genomen. Hier en daar laat iemand eens een proefballonnetje op: meer schrijfvaardigheid, meer inhoud, minder trucjes, maar er is eigenlijk geen overkoepelende visie op de toetsing. Ook Curriculum.Nu gaat vooral over de inhoud en doelstellingen van het vak, maar het is nog niet zo eenvoudig om daar een toetsing van af te leiden, zoals ik aan den lijve ervaren heb in de discussies daarover die we binnen het Meesterschapsteam Nederlands hebben gevoerd. Je kunt wel van alles willen, maar het moet ook maar allemaal passen: zowel bij de relevantie voor alle leerlingen als binnen de beschikbare tijd en de verdeling tussen schoolexamens en het centrale gedeelte. O ja, en de toetsing moet natuurlijk betrouwbaar zijn, al lijkt me die problematiek ook een beetje misbruikt te worden om de status quo te handhaven (want nu is het centraal eindexamen Nederlands reuze betrouwbaar).

Cruciaal belang

Als ik het persoonlijk van een afstand probeer te bekijken, dan lijkt mij de kernproblematiek van het centraal eindexamen Nederlands dezelfde als die van het curriculum: het schoolvak Nederlands bestaat uit een algemeen vormend en een vakspecifiek gedeelte. Je moet algemene teksten over allerlei onderwerpen kunnen lezen, interpreteren en tot op zekere hoogte schrijven (of samenvatten), en je moet een algemene argumentatie kunnen analyseren en opzetten. In vakspecifieke zin moet je iets weten over, of enig inzicht hebben in de Nederlandse taal en literatuur.

Het algemeen vormende gedeelte (de naam zegt het al) hoort in feite een onderdeel te zijn van alle schoolvakken. Ook bij biologie, aardrijkskunde en geschiedenis moet je teksten kunnen lezen en schrijven, en misschien wel vooral bij maatschappijwetenschappen moet je kunnen discussiëren over opiniërende stukken uit de krant (die nu het leeuwendeel van het centraal eindexamen Nederlands uitmaken). Maar als het een onderdeel van alle vakken is, zou het ook in alle vakken getoetst moeten worden (volgens het principe van de constructive alignment, om er even een didactische term bij te halen).

Nog sterker geldt dit natuurlijk voor het onderdeel argumentatie. Waar je bij leesvaardigheid nog zou kunnen volhouden dat die in de exacte vakken minimaal aan bod komt, geldt dat zeker niet voor argumentatie: die is werkelijk in alle schoolvakken van cruciaal belang. En, in alle eerlijkheid: argumentatie wordt natuurlijk ook overal – zij het impliciet – al getoetst.

Voorwaardelijk

Een van de belangrijkste discussiepunten met betrekking tot het eindexamen Nederlands is de nadruk op het algemeen vormende gedeelte, dat ten koste zou gaan van het vakspecifieke gedeelte. Natuurlijk zijn er subdisciplines binnen de neerlandistiek die zich bezighouden met onderzoek naar de structuur van teksten en argumentatie, maar je kunt je afvragen of de inzichten die dat heeft opgeleverd ook de leerdoelen van het schoolvak vormen. Het is zeker zo dat die onderdelen niet getoetst worden met het oog op het bereikte inzicht, maar meer om hun algemeen vormende (vaardigheids-)karakter. Simpeler gezegd: het gaat er bij de huidige toetsing om of de leerlingen de specifieke teksten van het examen begrijpen, niet of ze inzicht hebben in de manier waarop teksten in het algemeen opgebouwd zijn, dan wel of zij de theorievorming daarover kunnen volgen. De relevantie van het classificeren van een tekstsoort of een alineaverband voor het begrip van de inhoud van een tekst ontgaat de meeste leerlingen, en op zijn beurt is die inhoud van de tekst meestal relevanter in een ander schoolvak, en heeft die weinig te maken met een vakspecifieke inhoud bij Nederlands.

De vanzelfsprekende waarde van de algemeen vormende lees- en schrijfvaardigheid belemmert naar mijn idee elke discussie over een nieuw eindexamen Nederlands. Zolang je die twee onderdelen uitsluitend bij het schoolvak Nederlands belegt, zullen zij als een koekoeksjong al hun stiefbroertjes en -zusjes uit het nest drukken. Die moeten dan maar samen overleven in de schoolexamens, die alles bij elkaar slechts voor de helft meetellen voor het eindcijfer. En aangezien daarbij natuurlijk ook gelezen moet worden (al betreft het maar de vragen), en ook vaak geschreven (al betreft het maar de antwoorden), worden lees- en schrijfvaardigheid daar nogmaals impliciet getoetst. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat je zou denken dat het ook zonder kan, nu dat door de huidige omstandigheden afgedwongen is: lees- en schrijfvaardigheid zijn in feite al voorwaardelijk voor de resultaten in alle schoolvakken. Als je niet goed kunt lezen en je niet goed schriftelijk kunt uitdrukken, doe je het overal slecht in schriftelijke examens.

Geïntegreerd werken

Er is natuurlijk wel een uitweg, maar dat is misschien een beetje eng voor degenen die zich vastklampen aan de zekerheid van de huidige constellatie. Die uitweg is in mijn ogen: haal de centrale toetsing van lees- en schrijfvaardigheid weg bij Nederlands, en maak er een vakoverstijgende toetsing van. Dus niet: haal die hele inhoud uit het schoolvak, maar stel alleen een apart centraal eindexamen lees- en schrijfvaardigheid in. Geef daar ook een apart cijfer voor, los van alle schoolvakken, en stel alle schoolvakken verantwoordelijk voor de voorbereiding op die toetsing. De teksten kunnen dan, net als nu, gekozen worden uit algemene teksten in kranten en periodieken over onderwerpen die voor verschillende schoolvakken relevant kunnen zijn.

In het rapport De staat van het onderwijs 2019 van de Inspectie van het Onderwijs wordt de dramatisch teruggelopen leesvaardigheid onder 15-jarigen over de gehele breedte van het voortgezet onderwijs gerelateerd aan twee andere omstandigheden: het leesplezier van leerlingen in het voortgezet onderwijs neemt af, en er wordt (met name bij leesvaardigheid) te weinig aandacht besteed aan hogere denkvaardigheden. Bovendien wordt gesignaleerd dat er op het mbo goede resultaten worden geboekt met het geïntegreerd werken aan taalvaardigheid in alle vakken samen. Het voorstel om leesvaardigheid en argumentatie (en desnoods ook schrijfvaardigheid) vakoverstijgend te toetsen is in dit verband een drieklapper: een gezamenlijke toetsing maakt (a) die integratie noodzakelijk die op het mbo al zo goed werkt, en creëert bij Nederlands de ruimte om (b) meer aan het leesplezier te werken en (c) inhoudelijk de diepte in te gaan (en dus de hogere denkvaardigheden aan te boren) op onderwerpen uit de Nederlandse taal en literatuur, waar de leraren Nederlands per slot van rekening in afgestudeerd zijn.

Concrete casus

Dit maakt tevens de weg vrij voor een nieuw en eigen centraal examen Nederlands, waarvan de inhoud in een veel ontspannener discussie over een andere verdeling tussen centraal en schoolexamen kan worden bepaald. De vraag daarbij is dan: welke inzichten in het Nederlands (de taal, het taalgebruik en de literatuur) willen we dat elke leerling (afhankelijk van het schooltype, maar onafhankelijk van de school) bereikt? Natuurlijk gaat het daarbij in ruime mate om communicatieve inzichten, maar het kan dan ook tenminste gaan om de rol van taal en literatuur in de vorming van je identiteit, en de functie van taal en literatuur in sociale groepen en de samenleving, of hun plaats in de cultuurgeschiedenis (kortom: over hoe taal en literatuur de en je wereld scheppen).

Wat je dan bijvoorbeeld zou willen toetsen is of leerlingen op een verstandige en coherente wijze kunnen nadenken en redeneren over een talige of literaire kwestie, die relevant is in hun eigen context. In een beroepsvoorbereidende leerweg kan dit bijvoorbeeld een meertaligheidskwestie op de werkvloer zijn, of een kwestie rond begrijpelijkheid in beroepsgerelateerde teksten. In een meer theoretische opleiding past bijvoorbeeld een reflectie op de ontstaansgeschiedenis of het toekomstperspectief van een talig verschijnsel (zoals genderaanduiding), of de betekenis van de literatuur in een mondiale crisis. In elk geval zou het eindexamen gericht moeten zijn op de beoordeling van een concrete casus: het herkennen van relevante talige of literaire kenmerken, de betekenis daarvan duiden en er iets creatiefs mee doen.

Beredeneren

Het Meesterschapsteam Nederlands heeft op de neerlandistiekdagen begin maart in Leiden een voorzet gedaan voor een overzicht van inzichten vanuit de vier perspectieven op taal, taalgebruik en literatuur: het systeemperspectief, het individuele perspectief, het sociaal-culturele perspectief en het historische perspectief (binnenkort zal een aangepaste versie verschijnen). Daaruit zouden de cruciale vakspecifieke inzichten gehaald kunnen worden die we met zijn allen voor alle leerlingen (per schooltype) relevant achten, en die in een vakspecifiek, eigen eindexamen Nederlands zouden kunnen worden getoetst.  

Dat is natuurlijk allemaal gemakkelijker gezegd dan gedaan, maar als dat enorme koekoeksjong van die belangrijke algemeen vormende lees- en schrijfvaardigheid eenmaal uit het nest is, ontstaat er in elk geval de ruimte om daarover te praten zonder dat iedereen meteen de indruk heeft dat er alleen maar van alles bij komt. Door lees- en schrijfvaardigheid (en argumentatie) af te splitsen in een aparte toetsing hoeft er geen nieuwe inhoud aan de vakken te worden toegevoegd (die gáán in feite al over lezen, schrijven en argumentatie, maar dan in de context van het eigen vak), en voor de extra toets hoeft door de leerlingen ook geen nieuwe inhoud geleerd te worden; het wordt alleen duidelijker waar het allemaal voor bedoeld is: namelijk, dat je iets kunt lezen en begrijpen wat in je eigen context van belang is, en dat je daarover ook iets kunt beredeneren en dat op kunt schrijven.

Zonder

Zo zal het natuurlijk niet gaan: het “leren lezen en schrijven”, dat in het primair onderwijs wel geïntegreerd is met de andere leerstof, wordt bij uitsplitsing van de schoolvakken in het voortgezet onderwijs ondergebracht bij het kernvak Nederlands (dan weet je tenminste zeker dat iedereen het krijgt, zal de gedachte zijn geweest), en dus in feite weggehaald uit alle andere schoolvakken. Die krijgen daardoor alle ruimte voor hun eigen vakspecifieke inhoud, en Nederlands mag de algemeen vormende taalvaardigheidskastanjes uit het vuur blijven halen. Het krijgt ook nog eens argumentatie in de maag gesplitst, want tja, dat moet ook iedereen doen, en Nederlands is het enige kernvak waar de vakdocenten niet protesteren als hun eigen ruimte wordt ingenomen door algemene onderdelen. Het gevolg zal zijn dat Nederlands volgestouwd blijft met onderdelen die eigenlijk van iedereen zijn, en natuurlijk zijn die dan ook het belangrijkste in een landelijke toetsing.

Vandaar dat Nederlands het waarschijnlijk ook volgend jaar zonder een eigen centraal schriftelijk eindexamen zal moeten doen. Maar het kan dus ook zonder.

Foto: Per Harald Olsen / CC BY-SA