Cijfers en harten

Wonen in gedichten (9)


Door Judit Gera

Dit gedicht is geschikt voor lichtgevorderde studenten
en hoort bij de categorie Migranten,

In de serie Wonen in gedichten bespreekt Judit Gera, hoogleraar in Boedapest, gedichten uit de Nederlandstalige literatuur, ten behoeve van het onderwijs in de Neerlandistiek extra muros. (buiten het taalgebied. Vandaag: ‘Welkom in Nederland’, van Anne Vegter (1958).

Welkom in Nederland

Iemand zei geschiedenis zoekt naar evenwicht.
De tellingen hebben ons overtuigd:
mensen en mogendheden in ongelijke mate. 
Nu lopen de cijfers langs de wegen van Europa 
vol speeksel, vol tranen, vol dringende verwachtingen. 
En waar zou jij op hopen als je verhaal, je land, 
je stad, je monument, je berg, je dorp, je eer, 
je school, je huis, je deken, je matras, 
je nachtrust dagelijks aan stukken werd gerukt?
Geschiedenis vindt evenwicht, maar niet vanzelf.
En onze harten slaan de tijd, beng beng,
om het logeermatras te kloppen.

Anne Vegter was Dichter des Vaderlands tussen 2013 en 2017. Ze is de eerste vrouw die dit ereambt mocht bekleden. Dichters des Vaderlands schrijven gedichten over actuele thema’s die de maatschappij intens bezighouden. Zo’n thema was en is nog steeds de migratie en hoe Europese landen ermee omgaan. Het gedicht is dan ook geschreven bij de toenemende vluchtelingenstroom uit Syrië en andere landen in 2015. De problematiek rond migratie krijgt heden ten dage weer veel aandacht. 

Gedichten des Vaderlands zijn gelegenheidsgedichten. Ze kunnen betrekking hebben op gebeurtenissen zowel in de familiale als de publieke sfeer. Het is gebruiks- of gelegenheidspoëzie. Van de 16de tot de 19de eeuw waren er veel producenten en opdrachtgevers van gelegenheidspoëzie die toen geenszins als een minderwaardig genre werd beschouwd. Pas aan het eind van de 19de eeuw met het optreden van de Tachtigers en de door hen gepropageerde l’art pour l’art boette het genre aan belang in. Het instituut van Dichter des Vaderlands gaf nieuwe impulsen aan dit soort geëngageerde dichtkunst.

Omdat gelegenheidspoëzie meestal een ideologie uitdraagt, is hij vaak retorisch van aard. Dat betekent dat men er vele elementen van de retorica, de kunst van het overtuigen, in terugvindt.

De titel van het gedicht doet denken aan verkeersborden aan de geografische grenzen van Nederland in eerste instantie voor toeristen bedoeld. Het zou eveneens door kunnen gaan voor de eerste zin in een toeristische gids of een groet waarmee een Nederlander iemand begroet die net in Nederland aangekomen is. De implicatie is dat degene die al dan niet als toerist of gewoon buitenlander Nederland binnenstapt door Nederland en daarmee Nederlanders vriendelijk ontvangen wordt. Het gedicht reflecteert op dit formeel gebaar van welkom heten en actualiseert de inhoud ervan.

Het gedicht bestaat uit een twaalfregelige strofe, zonder rijm en vast metrum. Het zijn de retorische figuren die de lezer van een bepaald standpunt ten opzichte van de migratiegolf moeten helpen overtuigen.

De tekst wekt dus niet meteen de indruk van het genre poëzie, behalve dat zijn typografie duidelijk in die richting wijst: er is één strofe met veel wit van het spiegelblad rondom. Het lezen van het gedicht doet veeleer denken aan een krantenartikel of een essay. Zeker tot en met regel drie. Deze drie regels functioneren als exordium of aanhef. De functie van zo’n aanhef is de aandacht van het publiek te wekken, het welwillend stemmen en het nieuwsgierig maken naar de informatie die verstrekt zal worden.  Zo beroept de eerste regel zich op de al dan niet bewezen maar als wetenschappelijk aandoende uiting: ‘Iemand zei geschiedenis zoekt naar evenwicht.’ Deze uiting wekt zeker de aandacht: wie zei dat precies en hoezo geschiedenis zoekt naar evenwicht? Kan geschiedenis zoeken naar evenwicht? Heeft onze ervaring niet het tegendeel bewezen?  Ook onze nieuwsgierigheid wordt wakker gemaakt: welke telling – met een ander woord statistiek – heeft ons geleerd dat mensen en mogendheden niet in gelijke mate evenwicht zoeken. Om welke mensen en mogendheden gaat het hier precies? En indien die ongelijke verdeling van evenwicht waar is, staat het dan niet in schril contrast tot de inhoud van de eerste regel? Er is kennelijk helemaal geen evenwicht waarnaar de geschiedenis zou zoeken. Deze tegenstelling maakt de lezer nog nieuwsgieriger: hoe wordt dit opgelost? ‘Mensen en mogendheden’ en ‘mate’ allitereren daarmee refererend aan de relatie tussen mensen en mogendheden en de mate waarin ze al dan niet evenwicht in de geschiedenis zoeken.

Na het exordium komt de narratio de feiten leveren. Het feitenoverzicht moet beknopt, duidelijk en geloofwaardig zijn. Regel vier en vijf behelzen de narratio, het is dus beknopt genoeg. De cijfers van de statistiek worden gepersonifieerd waardoor de problematiek uit de sfeer van de objectiviteit nastrevende wetenschap gehaald wordt. Dat draagt bij aan de duidelijkheid: het zijn mensen die langs de wegen van Europa lopen. Dat ze honger lijden (bij een lege maag kan het zien of ruiken van voedsel en zelfs het denken aan voedsel, de speekselproductie stimuleren, het water loopt hen in de mond), verdriet (‘tranen’) en dringende verwachtingen hebben is geloofwaardig. Er wordt in deze narratio een argumentatio met het oog op affectieve instemming gegeven. De drievoudige herhaling van ‘vol’ benadrukt emotioneel de situatie van migranten – het gaat immers over migranten – die hun vaderland vanwege politieke of economische redenen moesten verlaten. Terwijl de eerste en de derde regel met een punt en de tweede met een dubbele punt eindigt, zijn de vierde en vijfde regel door middel van een enjambement verbonden. Dit onderstreept het langdurige proces van het lopen, er komt geen einde aan. De argumentatio doet hier vooral een beroep op de affecten bij de toehoorders.

Regel zes, zeven, acht en negen vormen samen een retorische vraag. Het is geen echte vraag, de schrijver of redenaar verlangt geen antwoord. De vraagvorm dient om wat er gezegd wordt meer nadruk te geven en om ervoor te zorgen dat de ontvanger (de lezer) zich aangesproken voelt en daardoor verder over de vraag nadenkt. Hier is sprake van een uit vier versregels bestaande retorische vraag die rechtstreeks aan een jij, in dit geval direct aan de lezer gesteld wordt. Dat ‘jij’ kan natuurlijk ook als algemeen subject functioneren in de betekenis van ‘men’. Deze onbepaaldheid tussen het concrete en algemene jij maakt de vraag zelf zowel letterlijk als figuurlijk: het heeft zowel de existentie van concrete individuen als de menselijke conditie op het oog.  De vraag wordt door de enumeratio of opsomming van essentiële levensvoorwaarden des te indringender. Verhaal, land, stad, monument, berg, dorp, eer, school, huis, deken, matras, nachtrust, identiteit, vaderland, opvoeding, cultuur, herinnering liefde, zekerheid, warmte, gezelligheid, waardevolle leefomstandigheden, het zijn basisbehoeften van een condition humaine. Het meervoudige parallellisme van de bezitsconstructie met het bezittelijke voornaamwoord ‘je’ – een voortzetting van het parallellisme in de narratio met het bijwoordelijke ‘vol’ – eindigt met het drama van het juist verstoken zijn van al de opgesomde dierbare levenswaarden: ze worden dagelijks aan stukken gerukt. De opgesomde elementen zijn hier iconisch te lezen. Bij een iconisch teken is de relatie tussen teken en betekende door gelijkenis gemotiveerd. De gelijkenisrelatie bestaat hierin dat in de enumeratio van losse levenselementen, hier veelzeggend door komma’s van elkaar gescheiden, als het ware het beeld (een eikoon, icoon) opgeroepen wordt van een uiteengereten, een gefragmenteerd bestaan. 

De laatste drie regels functioneren als peroratio of conclusie. In de peroratio wil de redenaar een slot dat zoals in een goede klassieke tragedie als vanzelf een ‘katharsis’ te weeg brengt. Hij probeert zijn publiek te bewegen (movere) en tot andere gedachten te brengen. Een sterk slot heeft maar weinig woorden nodig. ‘Geschiedenis vindt evenwicht, maar niet vanzelf.’ ‘Zoeken’ uit regel één is veranderd in ‘vinden’, een kleine wijziging met grote gevolgen. Geschiedenis gebeurt niet, maar wordt door mensen, door ons allen gemaakt. Geschiedenis vindt pas evenwicht door het voortdurend menselijke streven hiernaar. Dat streven komt tot uitdrukking in ‘onze harten’ die de tijd slaan. De onomatopee ‘beng, beng’ geeft nadruk op dit slaan. Dat onze harten de tijd slaan kan op verschillende manieren geïnterpreteerd worden. Betekent het dat onze harten op het ritme van de tijd mee slaan, dat ze de stem van de tijd laten horen? Zou die stem dan suggereren dat het tijd is voor handeling? Of betekent de regel dat onze harten de tijd verslaan, in de zin van ‘een overwinning behalen’? ‘Om het logeermatras te kloppen’ aan het slot spreekt boekdelen: bied onderdak, accepteer en stel je open voor de migrant. Met andere woorden: laat je hart kloppen!

Illustratie: Robert Kruzdlo