Wilda witzinges flod

Oude Folklore in het Oudfries, deel 3

“Prachtig. Door de quarantainemaatregelen is de Noordzee zoveel minder vervuild dat de Vikingen terugkeren. Onze planeet is aan het genezen.” Bron: Facebookgroep Teutonic Tongues

Door Arjan Sterken

De vorige keer hebben we koning Redbad (Radboud) van Denemarken ontmoet, de heidense koning die de Friezen van het christendom afhield. Velen van u hebben zich de vorige keer waarschijnlijk al afgevraagd: ‘hoezo koning Redbad van Denemarken? Was hij geen koning van de Friezen?’ Dat klopt, buiten de Oudfriese bronnen staat Redbad voornamelijk bekend als de heidense koning van de Friezen (Nijdam en Knottnerus 2019, p. 88-89). Het is deze koning die, als hij wordt gedoopt, vraagt of hij zijn voorouders ook in de hemel zal ontmoeten. De dopende missionaris (vaak Wulfram of Willibrord) moet dit ontkennen: Christus heeft dan wel alle Oudtestamentische patriarchen uit de hel gehaald, maar de Friese voorouders heeft hij daar laten zitten. Redbad stelt loyaliteit aan zijn familie boven Gods koninkrijk, en neemt het geroemde besluit om dan maar in de hel met zijn voorgeslacht te branden. Redbad wordt de Friese koning die de stugheid en trots van de moderne Fries laat zien; een koppige leider die het belang van de clan stelt boven dat van zichzelf.

Dit beeld van koning Redbad wint aan populariteit in de 19e eeuw, waarin men geïnteresseerd raakte in de eigen voorchristelijke geschiedenis. Koning Redbad werd hierin een boegbeeld, want het was een koning die weerstand bood tegen het oprukkende christendom. Mocht dit vanaf de 19e eeuw een positief beeld worden, dit was het absoluut niet in de late middeleeuwen. In de late middeleeuwen hadden de Friezen iets te bewijzen: ze moesten loyaliteit tonen aan het christelijke zuiden, en niet aan het heidense noorden (Johnston 1998, p. 182; Schmidt 1972, p. 522, 527). Dit was een zware taak, want in Hoogduitse teksten stonden ze vooral bekend als heidenen, niet-christenen (Voorwinden 1998, p. 304).

De laatmiddeleeuwse Friezen dachten daar anders over: ze waren volgende de Oudfriese Kroniek al sinds 781 christenen (Buma en Ebel 1977b, p. 566-567), en mochten ze ooit heidenen zijn geweest (moge God dit behoeden!), dan kwam dat allemaal door druk van buitenaf, door de Deense overheersing van de 8e tot de 11e eeuw (Schmidt 1972, p. 523). Soms komt die dwang ook van anderen: de Kleine Oudfriese Kroniek stelt dat koning Ludolf van de Saksen de Friezen tot afgoderij dwingt (Buma en Ebel 1977b, p. 564-565). De Friezen geven zelf toe in het Synodaal Recht dat ze tot het noorden behoorden totdat ze deze wetten van paus Leo kregen (Buma en Ebel 1977a, p. 179-179), en volgens de Rustringer Priesterboetes moeten Karel de Grote en paus Leo bisschoppen en priesters naar Friesland sturen om het christendom onder de Friezen te laten gedijen (Buma en Ebel 1963, p. 94-95). Om zich nog meer van deze kwade invloed te distantiëren, wordt deze koning Redbad, in de Romantiek het embleem van het voorchristelijke heidendom, de despoot van Denemarken in de Oudfriese bronnen (Noomen 2001, p. 4). Of, in ieder geval, meestal. De Kleine Oudfriese Kroniek geeft schoorvoetend toe dat Radbodus de eerste koning van de Friezen was (Buma en Ebel 1997b, p. 566-567).

Mochten de Friezen enige ambivalentie tonen jegens koning Redbad (maar dan ook echt weinig), er is zeker niks ambigues met betrekking tot hun houding tot de Vikingen. Vikingen zijn, kort gezegd, duivels. Er is nog één andere vijand: de Saksen. Deze worden slechts een enkele keer afzonderlijk genoemd, zoals in Fon Alra Fresena fridome uit het Tweede Hunsingoër Handschrift of in de Bisschopszoen van 1276 uit het Tweede Emsinger Handschrift. Vaker komen we de Saksen en Vikingen samen tegen, zoals in de Zeven Keuren uit de Hunsingoër Handschriften, en de Toevoeging aan het Achtste Landrecht, de Drie Noodgevallen bij het Tweede Algemene Landrecht, en de Algemene Overkeuren, alle drie uit het Eerste Emsinger Handschift, waarbij er wordt gesproken over dreiging of ontvoering vanuit het noorden of zuiden (Buma en Ebel 1967, p. 46-47, 90-91, 96-97; Hoekstra 1950, p. 68, 152).

Meestal, echter, treden de Vikingen alleen op. Er worden geen individuele Vikingen onderscheiden, en ook is het onduidelijk of koning Redbad nou hun koning is: hebben ze überhaupt wel een koning? Onduidelijk was de dreiging in elk geval niet, en deze dreiging wordt ook vaak als reden aangevoerd om zich tot het Heilige Roomse Rijk te keren: Karel de Grote zal de Friezen beschermen tegen de Vikingen, zoals beloofd in een paar vrij bekende teksten zoals de 17 Keuren, maar ook Fan sincte Willibrords leringha (Buma en Ebel 1977a, p. 68-69), het Rudolfsboek (Buma en Ebel 1977b, p. 366-367), allebei uit Jus Municipale Frisonum, en de Algemene Overkeuren uit het Eerste Emsinger Handschrift (Buma en Ebel 1967, p. 96-97). Als we naar de wetsteksten kijken, dan is ontvoering de meest voorkomende dreiging, zoals wordt genoemd in de 17 Keuren en 24 Landrechten. Dit is zelfs zo pertinent dat er uitzonderingen op de algemene wetten zijn als iemand ontvoerd is, zoals te vinden in de Toevoeging aan het Achtste Landrecht en de Drie Noodgevallen bij het Tweede Algemene Landrecht (Buma en Ebel 1967, p. 46-47, 90-91).

In het Rudolfsboek (uit Jus Municipale Frisonum) neemt het kwade noorden zelfs bovennatuurlijke proporties aan. De Duivel heeft de Friezen verleid om zich onder het noorden te scharen, en daarmee onvrij te worden. Later is sint Willibrord gekomen en hij leerde de Friezen zich fan dae noerdtscha diuelen af te keren (Buma en Ebel 1977b, p. 364-367, 372-373). Verschillende teksten benadrukken ook dat het noorden een kwaadaardige plek is, zoals de vele versies van de 17 Keuren, maar ook de Jongere Proloog uit het Eerste Rustringer Handschrift (Buma en Ebel 1963, p. 30-31). Met wat fantasie kan men dit zien als een reflectie van Thompson’s folklore-motief G633 North as abode of evil spirits, maar de Vikingen worden nog niet expliciet met kwade geesten gelijkgesteld.

Soms worden de Vikingen zelfs gelijkgesteld met de Noordzee, die zee waarover ze het Grote Friesland kwamen binnenvallen. Op overdrachtelijke wijze wordt er gesproken over de wilda witzing of de wilda witzinges (sees) flod als de Noordzee ten tijde van de vloed (Hofmann en Popkema 2008, p. 596). Deze frase is te vinden in de Magnuslegende en het Schoutenrecht, alsook op andere plekken. Eén van de Magnuskeuren uit de Magnuslegende stelt ook dat de Friezen niet te ver uit hun gebied te hoeven trekken om het Heilige Roomse Rijk in de strijd bij te staan, want ze moeten het rijk tegen de wilda witzend beschermen (bijvoorbeeld Sjölin 1970, p. 262-263). Uit sommige teksten wordt het duidelijk dat dit idioom twee betekenissen met zich draagt. Zo stelt het Oudere Schoutenrecht uit Jus Municipale Frisonum dat de Friezen zich ienst den salta se ende ienst den wilda witzenges floed (tegen de zoute zee en tegen de vloed van wilde Vikingen) met spade, hooivork (tegen de zee), schild, zwaard, en speerpunt (tegen de Vikingen) moeten verdedigen (Buma en Ebel 1977a, p. 74-75). De vloed is dus niet die alleen van de Noordzee, maar ook de gewelddadige tsunami der Vikingen. Hierbij worden de Vikingen op twee manieren een soort natuurfenomeen: allereerst worden ze vaak met het adjectief wilda beschreven, en zijn dus niet geciviliseerd, en daarmee onmenselijk. Dit wordt ten tweede versterkt door het idee dat ze, net als de Noordzee zelf, als een vloedgolf geregeld het Grote Friesland overstromen. En, zoals we weten vanuit de verscheidene historische overstromingen in het noordelijke kustgebied, zijn beide gebeurtenissen even rampzalig.

Wat naar mijn idee in deze Oudfriese teksten gebeurt, is dat de Vikingen worden gelijkgesteld met monsters. Binnen de zogenaamde monstertheorie zijn monsters fantastische weerspiegelingen van de grenzen van de eigen groep, doordat zij gedrag tonen dat voor de groep taboe is (Mittman en Hensel 2018, x). Vaak gaat het hierbij om bovennatuurlijke wezens, maar juist in middeleeuws Europa gaat dit niet altijd op: elke groep aan de rand van de bekende wereld kan al als monsterlijk worden gezien (Friedman 1981, p. 1). Naar mijn idee zien we dat hier sterk terug. De Vikingen en Friezen leken te veel op elkaar, en hadden zelfs een historische connectie. Hierdoor moesten de Friezen extra hun best doen om zich van de Vikingen af te zetten. De Vikingen worden daarom uitgemaakt voor kidnappers, en staan ze aan de verkeerde kant als heidenen: ze hebben een link met de Duivel, die de Friezen heeft verleid tot een verbond met de Vikingen. Daarnaast hebben ze links met andere gevaarlijke fenomenen zoals de sterke vloed van de Noordzee. Hierin zijn ze ook niet veel anders dan deze Noordzee: ze zijn wilda en daarmee meer natuur dan mens.

Op toevallige wijze vinden we deze categorisatie van de Vikingen als natuurfenomeen ook vandaag weer terug. In deze Corona-tijden zijn er talloze memes te vinden over hoe, nu de meeste mensen noodgedwongen weggekropen zijn in hun holen, de natuur langzamerhand de overhand neemt. Overal hoor je verhalen over dolfijnen die weer in Venetië zwemmen, of andere dieren waarvan men dacht dat ze al lang uitgestorven waren die zich weer in steden laten zien. Op dezelfde wijze zouden de Vikingen weer op de Noordzee gezien zijn, opnieuw beginnend aan hun plundertochten. Dus, Friezen, wees gewaarschuwd!

Referenties

Primaire bronnen

Buma, Wybren Jan, en Wilhelm Ebel, vert. 1963. Das Rüstringer Recht. Göttingen: Musterschmidt-verlag.

Buma, Wybren Jan, and Wilhelm Ebel, vert. 1967. Das Emsiger Recht. Göttingen: Vandenhoeck und Ruprecht.

Buma, Wybren Jan, en Wilhelm Ebel, vert. 1977a. Westerlauwerssches Recht I: Jus Municipale Frisonum, Erster Teil. Göttingen: Vandenhoeck und Ruprecht.

Buma, Wybren Jan, en Wilhelm Ebel, vert. 1977b. Westerlauwerssches Recht I: Jus Municipale Frisonum, Zweiter Teil. Göttingen: Vandenhoeck und Ruprecht.

Hoekstra, J., ed. 1950. De Eerste En de Tweede Hunsinger Codex. Den Haag: Martinus Nijhoff.

Secundaire literatuur

Hofmann, Dietrich, and Anne Tjerk Popkema. 2008. Altfriesisches Handwörterbuch. Heidelberg: Universitätsverlag Winter.

Johnston, Thomas. 1998. ‘Old Frisian Law and the Frisian Freedom Ideology: Text and Manuscript Composition as a Marketing Device’. In Approaches to Old Frisian Philology, geredigeerd door Rolf Bremmer, Thomas Johnston, en Oebele Vries, 179–214. Amsterdam: GA.

Nijdam, Han, en Otto Knottnerus. 2019. ‘Redbad, the Once and Future King of the Frisians’. In Northern Myths, Modern Identities: The Nationalisation of Northern Mythologies since 1800, geredigeerd door Simon Halink, 87–114. Leiden: Brill.

Noomen, P.N. 2001. ‘Hachens En Wachens: Feit En Fiksje Yn Midsieusk Fryslân’. In Speculum Frisicum: Stúdzjes Oanbean Oan Philippus H. Breuker, geredigeerd door Rolf Bremmer, Lammert Jansma, en Piet Visser, 3–22. Leeuwarden: Fryske Akademy.

Schmidt, Heinrich. 1972. ‘Friesische Freiheitsüberlieferungen Im Hohen Mittelalter’. In Festschfrit Für Hermann Heimpel Zum 70. Geburtstag Am 19. September 1971: Dritter Band, 518–45. Göttingen: Vandenhoeck und Ruprecht.

Thompson, Stith. 1958. Motif-Index of Folk-Literature: A Classification of Narrative Elements in Folktales, Ballads, Myths, Fables, Mediaeval Romances, Exempla, Fabliaux, Jest-Books, and Local Legends. Revised and Enlarged Edition. Bloomington: Indiana University Press. http://www.ruthenia.ru/folklore/thompson/.

Voorwinden, Norbert. 1998. ‘Friesland Und Die Friesen in Der Deutschen Literatur Des Mittelalters’. In Approaches to Old Frisian Philology, geredigeerd door Rolf Bremmer, Thomas Johnston, en Oebele Vries, 303–18. Amsterdam: GA.