Wie die niet inziet, heeft Multatuli’s leven en streven nooit begrepen of aangevoeld

De Multatulileescursus (78)

Door Marc van Oostendorp

– Jammer, dit! Ik had me hier zo op verhoogd. Kristalman van Atte Jongstra is een van mijn favoriete boeken over Multatuli, en ik had me daarom enorm verheugd op dit boek.

– Maar het is toch ook geweldig? Al die bizarre volgelingen die ‘de Meester’ tijdens zijn leven en nog lang na zijn dood heeft gehad? Ik smul van die anekdotes. Die plaat alleen al die op de voorkant staat!

– Ja, het boek is ‘rijk geïllustreerd’. Maar het zijn wel allemaal zwart-wit foto’s die nu ook weer niet op de hoogste kwaliteit zijn afgedrukt.

– Wat ben jij chagrijnig, ik vind het verrukkelijk! Van die verhalen over de ‘Vereeniging Multatuli’ uit 1888, dus vlak na de dood van de Meester, waarover twintig jaar later in de krant zal staan:

Te Amsterdam werd toen eene Multatuli-vereeniging opgericht, met het doel de werken des schrijvers te populariseeren. Voor Multatuli-sigaren, Multatuli-chocolatde, Multatuli-broches en dergelijke dingsigheidjes scheen de tijd nog niet gekomen te zijn.

– Of dan de spiritisten! Die zich niks aantrokken van het feit dat Multatuli dat gepraat over geesten maar onzin vond (‘in m’n hoedanigheid van apostel der waarheid ontken ik ’t bestaan van geesten’) en hem een paar jaar na zijn dood alsnog laten spreken.

– Ja, haha, en hij heeft dan zijn mening over het spiritisme helemaal herzien. Ook de spiritist die het schreef was ooit een overtuigd Multatuliaan en nam alles klakkeloos aan, maar na zijn dood vond Multatuli het fijn dat die spiritist er inmiddels anders over was gaan denken:

Dikwijls, en dit had een fijn criticus moeten ontdekken, schreef ik tegen beter weten in, en trachtte de denkbeelden te verspreiden, waarvan het onhoudbare in de gevolgen mij zelf in het oog sprong; maar mijne zucht om indruk te maken, en een in hooge mate origineel schrijver te zijn, was oorzaak, dat ik mij verlaagde tot een vleier van den smaak en de onontwikkeldheid van mijne lezers, tot dienstwilligen dienaar van het Publiek, dat naar z’n bedorven opvattingen van kunst en kunstgenot verlangde bediend te worden.

– Wat had die man Multatuli slecht gelezen: als die zelfs na zijn dood nu nooit iets had gezegd was het wel dat hij ‘schreef tegen beter weten in’.

– En ik geloof dat hij daar ook gelijk in had. Als hij iets niet deed, was het schrijven om het schrijven, of om ‘origineel’ te zijn.

– Voor mij is dat wel de charme van dit boek, wat jullie ook zeggen: dat je kunt zeggen hoe het oeuvre van zo’n man als Multatuli op allerlei manieren gebruikt kan worden, hoe zo iemand na zijn dood voor allerlei karretjes gespannen kan worden van groepen waar hij tijdens zijn leven een bloedhekel aan had: beroepsletterkundigen, socialisten, geleerden.

– Dat de Multatuli-vereniging tijdens de oorlog zelfs een NSB’er als voorzitter had, C. de Hart, dat wist ik niet.

– Iemand die in 1941 dingen schreef als:

wij staan aan den vooravond van een tijdperk waarin vele ideeën van den strijder Multatuli zullen worden gerealiseerd. Zijn profetie in 1867L Brieven VIII blz. 33 ‘En als er een Europeesche beroering komt, zal het bedorven Holland bij de eerste stoot ten ondergaan’ is in Mei 1940 bewaarheid.
(…)
blijken moge, dat Multatuli als een pionier van de Nieuwe Tijd, die wij thans beleven, kan worden, neen, moet worden beschouwd. Wie die niet inziet, heeft Multatuli’s leven en streven nooit begrepen of aangevoeld.

– Mij lijkt dat het ongelijk van die C. de Hart lastiger aan te tonen dan dat van die spiritist. Mij lijkt het helemaal niet ondenkbaar dat Douwes Dekker zich bij de NSB had aangesloten, als die hem een mooie functie in het vooruitzicht had gesteld. Hij was nu ook weer niet de grootste democraat die er op onze aardbodem heeft rondgelopen.

– Rot op; een antisemiet was hij bijvoorbeeld niet. En ook tijdens zijn leven liet hij zich uiteindelijk nooit met welke groep dan ook in, ook niet als hem dat wat had opgeleverd.

– Zeg, jongens, dat we nu niet in dezelfde ruimte zijn, betekent nog niet dat we elkaar ‘rot op!’ kunnen toeroepen.

– Juist niet. Waarheen moet men rotten?

– Dat geruzie past natuurlijk wel bij de multatulianen.

– Die er niet meer zijn, volgens Jongstra. Die er in 1985, toen zijn boek verscheen, al bijna niet meer waren:

‘De laatste der multatulianen zal binnenkort zijn overleden.’ Ik schrijf het niet zonder spijt.

– Het hele fenomeen is verdwenen, he. Je hebt misschien nog revianen gehad, maar ook die roeren zich geloof ik niet meer. En ik geloof niet dat er ooit een spiritist zal proberen om Arie Storm nog tot leven te wekken om achteraf zijn fouten toe te geven.

– Of dat iemand op het idee zal komen om Marieke Lucas Rijneveld-sigaren te laten maken.

– Ja, die diepe verering voor schrijvers is wel helemaal verdwenen. Een beetje lezer hoedt zich er wel voor, sinds C. de Hart.

– Jongens, we worden melig. Ik ga deze meeting leaven. Volgende week beginnen we aan de biografie van Van der Meulen, toch?

– Nou ik wilde eerst eigenlijk dit boekje bespreken: Uit Multatuli’s leven, van zijn goede vriendin Marie Anderson, uit 1901. Ik stuur jullie allemaal een kopie!