Werk van de duivel?

Over Harpie van Hannah van Binsbergen

Door Jos Joosten

Echt negatieve boekrecensies, zo is mijn indruk, zijn schaars. Tenzij critici op afroep besteld zijn om ze te leveren, zoals Ilja Leonard Pfeijffer een tijdje over poëzie in NRC Handelsblad of Komrij in Vrij Nederland, besteden boekredacties hun, steeds schaarsere, ruimte kennelijk liever aan positief getoonzette stukken. Opmerkelijke uitzondering is de kritiek die Koen Schouwenburg in Trouw van 21 maart jl. publiceerde over ‘Harpie’, de debuutroman van dichteres Hannah van Binsbergen. Het is ‘een matige roman’, de toon ‘irritant ironisch’, het slot van het boek is ‘pathetisch en prekerig’.

Nu lijkt het thema van de roman, kwetsbare vrouw rouwt om verloren geliefde, er een dat het laatste decennium bepaald vaker vertoond is. Het is haast een nieuwe stroming: vrouw gebruikt boek voor het verwerken van vertrokken geliefde (m/v). Maar zo’n thema alleen zegt niks. Je laat een boek ook niet links liggen omdat het een variant is op het Faust- of Odysseemotief. En ik ben dan ook blij dat ik me niet heb laten leiden door Schouwenburgs recensie, want Harpie blijkt een knap geschreven, tot het einde fascinerende roman.

Het hoofd- en titelpersonage, de 22-jarige Harpie Poelgeest, is inderdaad in de steek gelaten door haar vriend Albert en ze is door de breuk onherstelbaar eenzaam: ze verkommert op een studentenkamertje, is gestopt met haar studie en heeft schulden.

‘Het isolement waarin Harpie leeft maakt haar verdriet puur. Vreemde smetten zoals de wens om erkend te worden als een zielig iemand, het verlangen naar de blik van een zekere ander, zodat hij kan zien hoe zij lijdt en dan lekker spijt krijgt, die dingen stierven af en wat er overbleef was een ellende die alleen voor zichzelf bestond, als een kunstwerk op de zeebodem.’

Na de zoveelste poging haar polsen door te snijden (Harpie heeft so wie so last van zelfmutilatie) geeft ze zichzelf een termijn: als haar leven niet enige vorm van zin krijgt pleegt ze over acht maanden, op haar verjaardag, zelfmoord. Harpie is zo te lezen als een variatie op Camus’ centrale thema: ‘Er bestaat maar één werkelijk ernstig filosofisch probleem: de zelfmoord. Oordelen of het leven wel of niet de moeite waard is geleefd te worden is antwoord geven op de fundamentele vraag van de filosofie.’ Zin tracht Harpie aan haar bestaan te geven door twee zeer uiteenlopende werkkringen te aanvaarden: overdag wordt ze receptioniste bij het bedrijf MetaMedia, ’s avonds begint ze als escortmeisje. In een laconiek-afstandelijke stijl, die soms wel aan Saskia de Coster doet denken, volgen we Harpie’s bestaan én haar belangrijkste tegenspeler: de duivel.

Het is onduidelijk wat de natuur van diens spel is. Harpie heeft van jonsgaf zaken verzonnen en gefabuleerd en het meest waarschijnlijke is dat de duivel een ingebeelde stem is (‘Je bent een ontsnapte droom, denk ik’). Meerdere mannen die ze gaandeweg ontmoet ontpoppen zich ook als deze duivel, tot aan de psychiater die aan het eind van het verhaal opduikt en veelzeggend ‘Joost’ heet: sinds begin achttiende eeuw een benaming voor de duivel.

Ook de naam van Harpie zelf lijkt me niet toevallig gekozen. Zelf is het romanpersonage er gebruikelijk laconiek over: ‘Een moeder bij haar volle verstand noemt haar kind geen Harpie. Waar het idee precies vandaan kwam, en waarom niemand er een stokje voor stak, zijn de gezinsleden inmiddels vergeten. Maar in de chaos die de bevalling omgaf, was het deze naam die haar kans greep. Harpie, Harpie, Harpie.’ Duidelijk is dat de verwijzing naar ‘harpij’ meespeelt: de mythologische vrouwwezens die in Dantes hel niet toevallig de zelfmoordenaars straffen.

De duivel dient zich sedert Moenen vaker aan in de Nederlandse letterkunde. Die van Van Binsbergen komt nog het meest in de buurt van Nescio’s duivel in Dichtertje. (Ik vraag me of ik te ver zoek, maar is het toeval dat Harpie met satan een wandeling maakt langs de Ringdijk, wat vlakbij de plek moet zijn waar het Dichtertje de fatale seks heeft met zijn schoonzusje?) Waar de duivel er bij Nescio uiteindelijk op uit is de burgerlijke moraal te onttakelen maar daarmee ook het dichtertje in de waanzin stort, is Harpie’s duivel positiever van aard. Zij zegt op een bepaald moment tegen hem: ‘ik heb ook wel door dat je een bepaald web aan het spinnen bent. Maar het lijkt geen complot dat tot mijn ondergang moet leiden. Eerder het tegendeel.’ Van Binsbergen maakt hier een opmaat naar het surrealistische slot van de roman waar waan en werkelijkheid merkwaardig dooreen lopen.

Harpie is ontslagen bij MetaMedia en krijgt een toeval op kantoor. Als ze wat hersteld is, verzamelen zich steeds meer collega’s rondom haar en verschijnt – als duveltje uit een doosje of echte deus ex machina – psychiater Joost. Het verhaal neemt dan een vreemde slotwending: het personeel vormt een perfecte kring en gaat, onder leiding van Joost, een therapeutisch gesprek aan. Enerzijds lijkt het dan existentialistischer dan ooit. De hel zijn de anderen.

‘“Ik weet niet hoe het met jullie zit, maar ik heb aan de meesten van jullie een pleurishekel.”
“Ik ook!” roepen Koosje, Annemarie, Geert en Tirza uitgelaten.’

Maar dan blijkt ook de keerzijde.

‘“Ik ben alleen!” roept Michel nog eens, met dezelfde wezenloze paniek in zijn stem als eerder, maar ditmaal kijkt hij rond. Hij maakt oogcontact met Koosje, de stagiaire. Samen openen ze hun monden. De kreet klinkt nogmaals: “Ik ben alleen!”
“Ik ben alleen!”
“Ik ben alleen!”
“Ik ben alleen!”’

Hundred billion castaways, looking for a home.

Waarna Harpie in Harpie een motiverende speech houdt en de roman ronduit bemoedigend eindigt met hoop en toekomst voor het verzamelde personeel: ‘ze zien de toekomst voor zich liggen’. En Harpie? ‘Harpie lacht. Een grote verheugde glimlach.’

Of dit slot zich nu (ook) geheel in Harpie’s hoofd afspeelt of ‘echt’ is, feit blijft dat de eenzaamheid, met behulp van de duivel, het verloren heeft.

Nog steeds is het niet heel gebruikelijk dat literaire romans positief eindigen (en kennelijk is dat voor sommige critici ook wennen). Harpie is zo’n opwekkende uitzondering. Het boek heeft een vaste toon en blijft stilistisch tot het einde boeien. Sommige scenes maken je, juist door de ironie en afstandelijke waarnemende blik van Harpie, ronduit neerslachtig. Maar dit slot maakt – letterlijk – alles goed. Het collectief dat de eenzaamheid verjaagt dat is gewoon troostrijk, zeker in tijden van quarantaine.