Vijf personeelsleden hebben positief getest op het Covid-19-virus

Door Henk Wolf

Een paar weken geleden kwam ik in de media voor het eerst zinnen tegen waarin stond dat iemand ‘positief was getest (op corona)’. Ik begreep de zinnen natuurlijk wel, maar ik vond het een gekke constructie.

Positief lijkt in zulke zinnen ‘met positief resultaat’ te betekenen (natuurlijk niet in morele zin, maar in de zin dat het gezochte is gevonden). Voor mijn taalgevoel wil dat niet. Een kort zoektochtje in woordenboeken gaf ook geen meldingen van deze constructie.

Ik nam wel aan dat in een zin als ‘er zijn vier mensen positief getest’ er sprake is van een lijdende zin. De bedrijvende tegenhanger zou dan iets zijn als ‘artsen hebben vier mensen positief getest’ en dat zou dan weer betekenen: ‘artsen hebben vier mensen getest en hun tests waren positief’.

Maar nu kwam ik vandaag de volgende zin in het Friesch Dagblad tegen:

  • Vijf personeelsleden hebben positief getest op het Covid-19-virus.

Dat is helemaal gek. Bij het voltooid deelwoord getest gebruik je het hulpwerkwoord hebben alleen als het onderwerp van de zin de uitvoerder is van de handeling, dus van het testen. In ‘Jan heeft Piet getest’ is Jan de tester, niet Piet.

Die interpretatie is bij de Friesch Dagblad-zin natuurlijk uitgesloten. Blijkbaar is ‘positief testen’ daarin gebruikt als een soort werkwoord-op-zich, dat ‘getest worden met positief resultaat’ betekent. Dat dat geen gekkigheidje van een individuele journalist is, blijkt uit een zoekopdracht op Google. Als ik zoek op de woordreeks “hebben positief getest”, dan vind ik tientallen voorkomens. Verreweg de meeste komen uit nieuwsberichten van de afgelopen paar maanden, maar er zitten er ook een paar minder recente tussen uit de sportwereld. Het oudste dat ik zo snel kon vinden, kwam uit 2006.

Foto: Unsplash