Vaktaal: de rebel Couperus

Door Michelle van Dijk

Vorige week kreeg ik VakTaal thuisgestuurd, het tijdschrift van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek. Er staan ontzettend diverse stukken in, met de laatste nieuwe (internationale) inzichten in de Nederlandse taal en literatuur. En wat blijkt? Deze editie is gratis te lezen! Zo kun je het stuk van spoken word-performer Babs Gons lezen over poëzie als protest; of het interview met Jacqueline Bel, de nieuwe VU-hoogleraar.

En met de Boekenweek in gedachten schreef ik een stuk over ‘rebel’ Louis Couperus, en dan specifiek over De stille kracht. Is Couperus een echte rebel? Is De stille kracht een geëngageerde roman? Antikoloniaal? Werd het boek op die manier gelezen? Toen ik me in de ontvangst van De stille kracht verdiepte, ontdekte ik een in dit opzicht interessante recensie… maar dat mag je hieronder lezen. En download dan hier de rest van VakTaal.

‘Het is hun beurt’

Rebellie in De stille kracht

‘… en van haar billen droop het rood.’ Toen Couperus De stille kracht in 1900 publiceerde, was deze zinsnede alleen al voldoende aanleiding tot opschudding. Die te plastische omschrijving van ‘dit afschuwelijke vampyr-wijf’ of ‘die incarnatie van dof smeulende verdorvenheid’, zoals Léonie van Oudijck werd genoemd, was een smetje op een verder uitstekende roman, oordeelden de recensenten. Het leek wel of ze volledig voorbijgingen aan de veel grotere dwarse kracht die Couperus in zijn roman demonstreerde. Of: ze zagen er alleen de uiterlijke verschijningsvorm van.

In de roman wankelt de positie van resident Van Oudijck wanneer zijn omgeving wordt ‘aangevallen’ door de stille kracht. Is het de islam, de spookachtige hadji die door de tuin beweegt? Wat betekenen die toverkracht, de vliegende stenen en rondgespuugde pruimtabak? De stille kracht is meer dan het onderhuidse, groeiende verzet tegen de luide kracht van de veroveraar, de koloniaal. De stille kracht is ook de erotiek, de verleiding; het zijn de buitenhuwelijkse, multi-etnische relaties die de gevestigde leiders van hun stuk brengen.

Léonie van Oudijck, vrouw van de resident, gaat affaires aan met haar stiefzoon Theo, geboren uit de voorhuwelijkse relatie die Otto van Oudijck had met een Javaanse vrouw, en met Addy de Luce, die uit een familie komt van een Solose prinses en een Franse avonturier. Het contact tussen de Europese resident en de inheemse regentenfamilie De Luce was al uiterst gespannen en of er nu wel of niet sprake is van toverkrachten wanneer de steentjes en pruimtabak door de lucht vliegen, Van Oudijck bezwijkt voor deze kracht.

Die rebelse kracht, opstandigheid door te verleiden, is het duidelijkst aanwezig in de figuur van Addy de Luce. De verleider Addy, uiterst sensueel door Couperus beschreven, legt het aan met moeder én (stief)dochter Van Oudijck en heeft vrede heeft met wat er dan ook maar uit voortkomt. De hele familie De Luce is multi-etnisch of ‘hybride’ te noemen – en functioneert prima. Van Oudijck daarentegen heeft een hekel aan ‘halfbloed’ (ondanks zijn eigen kinderen).

In stiefzoon Theo van Oudijck is de haat tegen de patriarchale overheerser zelfs vrij letterlijk aanwezig: ‘omdat hij in het diepst van zich die vader haatte, niet om die aanleiding of deze reden, maar om een geheimzinnige bloed-antipathie, omdat hij zich, trots zijn voorkomen en voordoen van blonde en blanke Europeaan, geheimzinnig verwant voelde aan deze onechte broêr, een vage sympathie voor hem voelde, beiden zonen van een zelfde moederland, waarvoor hun vader niet voelde dan alleen met zijn aangeleerde ontwikkeling: de kunstmatig, humaan aangekweekte liefde der overheersers voor de overheerste grond’.

Zo scherp hadden nog maar weinig schrijvers het tot dan toe gezegd, toch kwam een inhoudelijke discussie niet op gang – de ‘melkige molligheid’ van Léonie en de vraag of de toverkrachten echt waren bleven in Nederland de boventoon voeren. Maar er was een recensent die ook al in 1901 in De stille kracht de dwarse kracht herkende en zelfs opriep tot verzet: Alexander of Alexandre Cohen, een Nederlandse socialist/anarchist – rebel! – die zelf onprettige jaren bij de KNIL had doorgebracht, en die in Mercure de France als Frans-Nederlandse journalist recensies schreef over nieuwe Nederlandse literatuur.

Cohen schreef (vrij vertaald, lees hier het origineel):

‘Wit heeft anderen al zo lang op de nek gezeten, dat ik graag zou willen zien dat deze anderen – zwart, geel en café-au-lait – eens een beetje – een beetje veel! – de witten zouden vertrappen. Het is hun beurt. Ik zou net zo makkelijk een fan van de ‘stille kracht’ van meneer Couperus kunnen zijn. Maar ik wil het zien, ik wil het alleen maar zien! Wanneer komt de wraak, de echte, de enige?’

Helaas is mij onbekend of Couperus deze recensie kende en wat hij daar weer van vond, al zou ik denken dat hij al genoeg krachten toekende aan de seksuele ‘zwakten’ van de mens. Ergens hadden de Nederlandse recensenten dat ook juist gezien.

P.S. Nee, ik ga geen hertaling maken van De stille kracht.
P.P.S. Ja, je moet 
De stille kracht wel lezen. Wat mij betreft de mooiste en boeiendste roman van Couperus. Koop ‘m bij je lokale boekhandel!