Taalkundig onderzoek: genetisch experimenteren op de vleermuis

Door Leonie Cornips

Deze week verscheen een persbericht dat onderzoekers van het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek in Nijmegen en de Ludwig Maximilian Universiteit in München gevonden hebben dat volwassen vleermuizen hun sociale geluiden kunnen veranderen door geluiden in het laboratorium na te bootsen. De onderzoeksvraag die in dit persbericht centraal staat is of andere zoogdieren dan mensen geluiden kunnen leren door imitatie? Maar is deze onderzoeksvraag wel urgent genoeg om intrusief dierproef-onderzoek te rechtvaardigen? Ik stel als taalkundige en academica inderdaad ethische vraagtekens bij de methoden die met dieren uitgevoerd worden en vooral door taalkundigen.
We weten immers dat een heleboel niet menselijke dieren leren imiteren. Vogels bijvoorbeeld zoals de spreeuw en een echte geweldenaar is de ekster in New South Wales, Australië die de talloze brandweersirenes leerde nabootsen tijdens de hevige recente bosbranden. Maar het persbericht vermeldt dat het ‘lastig is’ om zoogdieren te onderzoeken op ‘leren imiteren’ ‘omdat de weinige zoogdieren die het kunnen (walvissen, dolfijnen, zeehonden en olifanten) niet makkelijk te onderzoeken zijn in neurobiologische en genetische studies’. Vandaar dat de volwassen bonte lansneusvleermuizen dierproeven in het laboratorium ondergaan: ze krijgen nu een geprakte banaan omdat ze de test goed uitvoeren en ‘mogen’ dan later omdat ze succesvol zijn genetische experimenten ondergaan. Het voor taalkundigen beroemde gen FoxP2 wordt uitgeschakeld om te zien welke gevolgen dat heeft voor het vocaal leren van vleermuizen. Bij muizen werd overigens recentelijk een menselijk FoxP2 genetisch aangebracht.

Ik plaats meerdere kanttekeningen bij het gebruik van dierproeven in dit type taalkundige onderzoek. Het is overduidelijk dat ze niet noodzakelijk zijn (als dierproeven al te rechtvaardigen zijn) om mensen- of dierenlevens te redden. Bovendien is niet helder waarom de bonte lansneusvleermuis genetische experimenten moet ondergaan. De onderzoekers hopen volgens het persbericht, ‘dat dit onderzoek meer inzicht geeft in het ontstaan van menselijke spraak en taal, en in wat er mis gaat bij genetische spraak- en taalstoornissen.’ Hoe ligt die relatie dan precies tussen FoxP2 in vleermuizen en Foxp2 bij mensen en hoezo kunnen vleermuizen als niet menselijke diersoort ons informeren over erfelijke taalstoornissen bij de menselijke diersoort? Dieren hebben immers geen taal(vermogens) zoals mensen, zeggen de taalkundigen zoals te lezen is op de website van de Radboud Universiteit.

De mededirecteur van het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek Simon Fisher behoorde tot het Britse onderzoeksteam dat in 2001 een relatie vond tussen erfelijke taalstoornissen zoals TOS (Taalontwikkelingstoornis) en een afwijking in het menselijk gen FOXP2 door onderzoek binnen een specifieke familie. Toch zegt ook Simon Fisher in De Volkskrant dat die relatie echt niet helder is. Hij zegt:

Dat zou ik nou écht willen weten: wat de volledige rol is van de genen in het taalvermogen van de mens. Want wij hebben in 2001 niet ‘het’ taalgen ontdekt – alsjeblieft zeg. Dat hebben de media ervan gemaakt. Het klonk spectaculair en het was ook een lekker makkelijke manier om onze vondst uit te leggen. Maar goed. Wat we wel hebben ontdekt: er zit op het 7de chromosoom een gen dat FOXP2 heet. Zowel mens als dier heeft dat gen. Als FOXP2 bij een menselijke drager kapot is, dan verandert er iets aan het eiwit dat het aanmaakt. Dat afwijkende eiwit verstoort de werking van het gen. De gevolgen daarvan voor de drager zijn groot. Mensen met zo’n kapot FOXP2 hebben last van spraak- en taalstoornissen. Zulke kinderen worstelen met het vloeiend leren spreken van de moedertaal, en vaak ook met lezen en schrijven. Dat defect is erfelijk.

En zegt hij in hetzelfde interview: ‘Het kan best dat mensen nog veel meer genen hebben die samenhangen met hun taalvermogen; maar dan hebben we die – nog – niet gevonden. En wie weet, blijkt FOXP2 werkelijk het gen waar het allemaal om draait, maar snappen we nog onvoldoende hoe het werkt. De vondst van dat kapotte gen is een eerste beginnetje in de zoektocht naar hoe het kan dat mensen praten.’

Dus hoezo kan een gen bij vleermuizen ons iets vertellen over een erfelijke taalontwikkelingstoornis bij de menselijke diersoort als dit soort onderzoek in zijn kinderschoenen staat? Bovendien beschikt het Max Planck Instituut zo informeert Fisher over ‘scans en dna van zo’n 1.300 mensen. Zo ontstaat een corpus waaraan je vanuit allerlei disciplines kunt werken.’

Dit corpus lijkt me veel crucialer om verfijnder onderzoek te doen naar de rol van FoxP2 bij mensen dan genetisch experimenteren op vleermuizen. Verder beschikken biologen en ethologen inmiddels over grote corpora spraakgeluiden – en ik neem aan ook over DNA – van walvissen, dolfijnen, zeehonden en olifanten. Interdisciplinaire samenwerking met deze onderzoekers kan het gebruik van dierproeven tegengaan. Het is natuurlijk ‘wel lastiger’ onderzoek maar de vraag is of ‘lastig’ wel een academisch en professioneel criterium mag zijn om niet urgent experimenteel genetisch onderzoek toe te passen op dieren. Dieren zijn, volgens de Cambridge Declaratie van 2012 opgesteld door internationale cognitieve wetenschappers, helemaal niet zo verschillend van mensen in cognitie en emotie. Iedere week verschijnt er wel biologisch, ethologisch en cognitief onderzoek waarvan de resultaten uitwijzen dat dieren zoals de bonte lansneusvleermuis, de muis en de chimpansee op dezelfde wijze als de mens stress en pijn ervaren en angst en verdriet voelen.

Kortom, de balans tussen opbrengst van dit type dierproeven en onderzoeksbevindingen in de taalkunde zijn niet goed te verantwoorden. Menselijke nieuwsgierigheid rechtvaardigt geen dierproeven. Ik maak me dus sterk om dierproeven voor taalkundig onderzoek ethisch te herijken. Door de snel verminderende biodiversiteit, het ontstaan van corona-virus en andere zoönoses en de immens groeiende ongelijkwaardigheid tussen de menselijke en overige diersoorten moet dierproeven en genetisch manipuleren van dieren snel op een gemeenschappelijke taalkundige onderzoeksagenda prijken.

Afbeelding: Bonte lansneusvleermuis, Wikimedia