Nieuwe wegen voor de Moderne Nederlandse Letterkunde

Door Marieke Winkler en Mathijs Sanders

De 136ste jaargang van het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (TNTL) bevat de eerste aflevering van een nieuwe rubriek, ‘Vondsten en vergezichten’, waarin ruimte wordt geboden aan bijdragen die bijvoorbeeld een interessante ontdekking presenteren of die meer opiniërend of essayerend van aard zijn. In deze eerste aflevering onder meer een programmatische tekst van Marieke Winkler (Open Universiteit) en Mathijs Sanders (Rijksuniversiteit Groningen). Geïnspireerd door enkele recente Engelstalige studies gaan zij op zoek naar nieuwe wegen voor de academische literatuurstudie te onzent. Hierbij een voorpublicatie.

  • Geesteswetenschappen (de) – Altijd vooraf laten gaan door ‘de toekomst van’; moeten gered worden.
  • Literatuurwetenschap – Nutteloos, wat er ook beweerd wordt; altijd vragen wat je ermee kan worden.

Dit zouden zomaar twee lemmata kunnen zijn uit een hedendaagse variant van Gustave Flauberts Dictionnaire des Idées Reçues, de encyclopedie van conventionele ideeën, toegespitst op een kwetsbaar deel van het wetenschappelijke bedrijf. Terwijl de totale studentenaantallen aan de Nederlandse universiteit blijven stijgen, wordt met regelmaat de noodklok geluid over de krimp van talenstudies en over de financiële achterstelling van Geesteswetenschappelijke faculteiten. Met het sluiten van de opleiding ‘Literatuur en Samenleving’ aan de VU bereikte de krimp zelfs een dramatisch dieptepunt en het recente advies van de commissie-Van Rijn om de technische opleidingen te subsidiëren vanuit Geesteswetenschappelijke middelen maakt pijnlijk duidelijk waar voor de overheid de prioriteit ligt. Waar meer toepassingsgerichte disciplines binnen de Geesteswetenschappelijke faculteiten zoals Journalistiek en Communicatie- en Informatiewetenschappen het hoofd boven water weten te houden, verkeren de op filologische en hermeneutische leest geschoeide vakgebieden, zoals de traditionele taal- en letterkundestudies, in zwaar weer. 

De marginalisering van deze studies wordt vaak in verband gebracht met het verregaande marktdenken binnen de universiteit. Verdienmodellen uit de financiële sector dwingen universiteiten om zich op exacte kennisproductie te richten en om oplossings- en toepassingsgericht te denken. Ook vanuit overheid wordt steeds meer aangestuurd op onderzoek dat liefst op korte termijn economisch rendabele resultaten oplevert. Het najagen van minder exacte, ‘onzekere’ kennis heeft het moeilijk in een samenleving die voornamelijk denkt in termen van economisch gewin en maatschappelijk nut.

Daarnaast kan een belangrijke reden voor de marginalisering van specifiek de letterkundige disciplines worden gezocht in het kennismodel waaraan zij zich als wetenschap geacht worden te conformeren. Dat kennismodel is voor een belangrijk deel gebaseerd op de positivistische wetenschapsfilosofie van Karl Popper, die inductie verving door het principe van falsificatie. In een op wetten en weerlegging gericht model waarin de zoektocht naar ‘zekere’ kennis centraal staat, lijkt er nauwelijks nog plaats te zijn voor meer interpretatieve vormen van onderzoek, waarin (historische) duiding centraal staat. De manier waarop Rens Bod de humaniora legitimeerde in zijn spraakmakende boek De vergeten wetenschappen (2010) is in dit opzicht veelzeggend. De geschiedenis van de humaniora wordt volgens hem gekenmerkt door ‘een zoektocht naar theoretische principes en empirische patronen in taal, literatuur, muziek, kunst en verleden’ (12). Benaderingen zoals de hermeneutiek, die zich eerder toeleggen op het unieke en onherhaalbare, worden in zekere zin uit die geschiedenis weggeschreven. In een korte passage over hermeneutiek wordt deze grondslagdiscipline – met een beroep op Wilhelm Schlegel – gereduceerd tot een ‘voorvoelende methode’, die zich bedient van intuïtie ‘die berust op een zich inleven in de gemoedstoestand van de schrijver’ (408). De hermeneutiek heeft volgens Bod ‘prachtige interpretaties’ opgeleverd, ‘maar bevat een sterk subjectieve component’, waardoor zij ‘eerder tot de filosofie dan tot de empirische geesteswetenschappen’ behoort. Daarmee valt de hermeneutiek ‘in essentie buiten onze zoektocht naar methodische principes’ (409). 

Opmerkelijk is dat Bod in zijn recente boek Een wereld vol patronen (2019) enigszins terugkomt op zijn standpunt in een slotparagraaf over ‘niet-patroonzoekende wetenschappen’, die hij vooral aanwijst binnen ‘de interpretatieve of hermeneutische geesteswetenschappen’. Zo zou de hermeneutische cirkel een voorbeeld zijn van ‘de empirische cyclus’ die het grondpatroon vormt van de empirische wetenschappen, ‘zij het een heel bijzonder voorbeeld waarbij de onderzoeker zelf deel gaat uitmaken van het te bestuderen onderwerp’ (387-389). Deze herwaardering van de ‘niet-patroonzoekende wetenschappen’ is naar ons idee symptomatisch voor een bredere trend. Uitgerekend vanuit de empirische, exacte hoek valt een toenemende belangstelling te bespeuren voor hermeneutische methoden en voor de werking van literaire narratieven in het bijzonder. Vanuit de Informatica klinkt bijvoorbeeld een duidelijke roep om geesteswetenschappers. Computersystemen leren inmiddels zo snel én voornamelijk op basis van menselijk gedrag, dat informatici zich geconfronteerd zien met bergen ‘fuzzy’ informatie waarop algoritmes en formules nauwelijks grip hebben, een type informatie dus waarmee geesteswetenschappers en dan met name literatuurwetenschappers bijzonder vertrouwd zijn, zo betoogt onder anderen Ted Underwood in ‘Why an Age of Machine Learning Needs the Humanities’ (2018). 

Een sprekend voorbeeld is ook de belangrijke rol die literaire teksten spelen in milieuwetenschappelijk onderzoek, specifiek het onderzoek naar ecologische toekomstscenario’s. Het gaat dan om de confrontatie tussen de op empirische data gestoelde, algemeen verklarende toekomstscenario’s met romans die een gesitueerde, particulier ervaren alternatieve wereld beschrijven. Deze confrontatie vergroot het inzicht in manieren waarop gereageerd kan worden op de toekomstige effecten van klimaatverandering, aldus Mike Hulme, een belangrijke woordvoerder van dit type onderzoek. Wat deze voorbeelden uit de Informatica en Milieuwetenschappen mooi duidelijk maken is dat hermeneutische en empirische methoden elkaar allerminst hoeven uit te sluiten. Sterker, onderzoek naar ‘machinelearning’ of de relatie tussen wetenschappelijke toekomstscenario’s en klimaatromans behoeft eerder een samenspel van beide benaderingen. Intussen spreidt de interesse in de werking van verhalen zich buiten het academische domein alleen maar verder uit, zo laat onder andere de opkomst van fake news in politiek en media, de aandacht voor branding in de economische sector en de nadruk op storytelling in de journalistiek en geneeskunde zien. 

Hier liggen gouden kansen voor letterkundigen en literatuurwetenschappers, zoals ook Peter Brooks benadrukt in The Humanities and Public Life (2014): ‘The ability to read critically the messages that society, politics and culture bombard us with is, more than ever, needed training in a society in which the manipulation of hearts and minds is increasingly what running the world is all about’ (2). Ondanks de brede wetenschappelijke en maatschappelijke erkenning van het belang van verhalen en het analyseren daarvan worden de academische disciplines waar deze expertise is ontwikkeld naar de marge gedrongen. Deze situatie vraagt om het verzetten van de bakens en wekt het verlangen naar concrete voorstellen die nieuwe wegen openen voor letterkundig onderwijs en onderzoek. Wie zoekt naar dit soort voorstellen vindt vooral in de Angelsaksische wereld een rijke bron.

Het volledige artikel is nu te lezen in TNTL 2020-1. Voor bestelinformatie, zie de website van Uitgeverij Verloren: https://verloren.nl/tijdschriften.