Laten we pas op de plaats maken

Door Marc van Oostendorp

Wie voor de crisis in de volksgezondheid nog niet wist dat de universiteiten volkomen dolgedraaid waren, kan dit nu duidelijk zien. Een crisis van ongekende omvang heeft ook de universitaire gemeenschap getroffen – en het ergste heeft ons nog lang niet bereikt – maar desalniettemin lijkt iedereen vooral bezig om alles zoveel mogelijk door te laten gaan. Er wordt nu geloof ik eerder meer dan minder vergaderd, enorm gewichtige beslissingen vliegen je om de oren.

Iedereen doet dat met de beste bedoelingen, maar ik vind de halsstarheid waarmee men zich aan de normaliteit blijft vastklampen, soms beangstigend.

Het doet denken aan het tekenfilmfiguurtje dat naar de rand van een ravijn rent, en dan nog even horizontaal doorrent. Tot het ineens beseft dat er geen grond onder de voeten meer is, en het in een rechte lijn verticaal gaat.

Nog nooit heb ik zo vaak de frase geen business as usual gehoord als de afgelopen drie weken. Maar in de praktijk voor veel collega’s naar mijn indruk business worse than usual. Ik ken verhalen over stellen van jonge ud’s, met klein kinderen in een flatje, die geacht worden van daaruit nu allebei online colleges voor te bereiden voor groepen van 120 studenten. Want zoals vaak ligt de grootste last van deze business worse than usual op de schouders van de jongere collega’s.

Dat is vreselijk. Natuurlijk wordt daarbij weer het argument ingezet ‘ja, maar we kunnen de studenten niet in de steek laten’. Ik weet niet of weigeren nu te doen alsof het behalen van studiepunten de hoogste prioriteit heeft, ‘de studenten in de steek laten’ is. Zijn zij gebaat bij een enorme last?

Voor mij lijkt er een logische oplossing voor de minister van onderwijs: we geven dit rampzalige semester op, alle studenten krijgen er een half jaar extra bij. Voor individuele gevallen waarvoor toch een probleem bestaat (buitenlandse studenten, studenten op wie al een baan staat te wachten), wordt een oplossing gezocht. Zo’n ramp kan dat niet zijn; er zijn tijden geweest dat studenten sowieso veel ruimer de tijd hadden, dan moet dat bij uitzondering nu ook kunnen.

Ze zijn geen schoolkinderen meer die vanzelf doorgroeien en daarom door moeten. Ze zijn volwassenen die de komende maanden best kunnen gebruiken om eens goed na te denken, een mooi boek te lezen, hun buren te helpen, of tal van andere zaken.

Dit semester opgeven betekent ook zeker niet: de studenten opgeven. Integendeel. De meeste docenten zullen automatisch al manieren vinden om toch met de studenten aan de slag te gaan: met verdiepend materiaal, met reflectie, of gewoon met gesprekken over het leven en corona.

Overigens: ook ik maak gewoon tentamens en bereid onderwijs voor. Dat de minister niet zo verstandig is, betekent dat studenten anders in de problemen komen. We moeten dus wel. Het is in mijn ogen surreëel dat we deze dingen moeten doen, maar ik verwijt dat geen enkele universitaire bestuurder – ik verwijt het de minister.

Zoiets geldt ook voor het onderzoek. Laat alle eisen daarop nu ook even varen, geef mensen wat extra tijd als ze dat nodig hebben. Laat de universiteiten zich nu richten op de omringende samenleving. En laat iedereen zelf bepalen hoe dat te doen.

We hebben nooit tijd voor verdieping, waarom mogen we ons en de studenten die zelfs nu niet gunnen? Wat mij betreft kunnen trouwens ook gewone colleges worden gegeven, als studenten dat willen en docenten ertoe in staat zijn: maar de druk moet onmiddellijk van de ketel af.

Het is waanzin om in deze omstandigheden te verlangen dat de intellectuelen van de toekomst niet proberen zich te verdiepen, in wat er om hen heen gebeurt, maar in plaats daarvan studiepunten verzamelen, werkstukken schrijven en hoorcollegevideo’s bekijken. Het is absurd dat degenen die de intellectuele voorhoede van nu zouden moeten zijn, en een samenleving in verwarring zouden moeten bijstaan, in plaats daarvan hun rug naar de samenleving gekeerd houden en hun tijd besteden aan zoomvergaderingen over organisatorische kwesties.

We moeten niet eens zozeer op onze eigen gezondheid letten – al hoop ik dat iedereen die dit leest 120 mag worden en dan rustig op een dag in de slaap mag wegglijden – maar op die samenleving. We zijn vreselijk belangrijk, juist nu.