Laat ze maar lallen

Door Roland de Bonth

Heb je tussen de 7 en de 15 glazen alcohol op, dan ben je dronken. De kleine hersenen – onder andere verantwoordelijk voor de fijne coördinatie van je lichaam – zijn dan deels uitgeschakeld. Ook al doe je verwoede pogingen om zo normaal mogelijk te klinken, het lukt je eenvoudigweg niet om de regie te blijven voeren over de spieren in je tong en je mond. Het gevolg daarvan is dat je met een dubbele tong spreekt, je lalt. 

Dronken doen

Het overgrote deel van leerlingen in het voortgezet onderwijs mag vanwege de leeftijdsgrens van 18 jaar officieel nog geen alcohol drinken. Wie dat niet mag maar toch dronken wil overkomen, is er de Wikihow Doen alsof je dronken bent. In deze korte cursus leer je eerst hoe je dronken moet kijken, dan hoe je je dronken gedraagt en tot slot hoe je spreekt als je dronken bent. Ik beperk me hier tot de laatste, talige component. Om overtuigend over te komen worden vier tips gegeven: (1) spreek onduidelijk, (2) spreek langzamer dan normaal, (3) wees luider dan normaal en negeer de persoonlijke ruimte en (4) ontken de dronkenschap als mensen ernaar vragen. 

De laatste drie adviezen spreken eigenlijk voor zich maar bij het eerste is een nadere toelichting gewenst. Hoe doe je dat, onduidelijk spreken? Je moet woorden verlengen zoals je dat normaal gesproken niet zou doen; helaas ontbreekt daarvan een voorbeeld. Wil je erg dronken overkomen, spreek dan de woorden slordig uit. Van dat laatste worden wel voorbeelden gegeven: 

‘Ik vin’ dit feest geweldig, man.’

‘Wa’doe je volgend’week dan?’

Zonder audio-opnames zijn deze voorbeelden niet echt overtuigend. Ook niet-beschonken mensen zullen de slotmedeklinker in vind – zeker gezien het daaropvolgende dit – niet nadrukkelijk uitspreken. Hetzelfde geldt voor de letter t uit wat. Alleen het wegvallen van de sjwa in volgende zul je volgens mij in een gesprek tussen nuchtere personen niet zo snel aantreffen. 

Je kunt je natuurlijk afvragen waarom je zou willen doen alsof je dronken bent. Is het om indruk te maken op leeftijdsgenoten, om te laten zien dat je erbij hoort? Dat zou kunnen: niemand wil bij zijn vrienden bekend staan als saaie piet. Acteurs hebben beroepshalve baat bij een handleiding om dronken over te komen. Sommige van hen doen dat zo overtuigend dat je je zelfs afvraagt of ze niet stiekem iets tot zich genomen hebben. Auteurs vormen een andere beroepsgroep die moet weten hoe dronken mensen zich gedragen én spreken.

Dronkenschap beschrijven

In de bundel Literaire slapstick. Humor in de Nederlandse literatuur (Amersfoort: Novella Uitgeverij, 1991) zijn twee verhalen opgenomen waarin de drank rijkelijk gevloeid heeft dan wel vloeit. Beide stukken zijn geschreven door een Frenkel Frank: De agent (pp. 79-81) door Dimitri en Tafelspeech (pp. 41-46) door zijn oudere broer Gregor. 

Het verhaal De agent bestaat uit een dialoog tussen ‘’een waggelende, stomdronken agent’’ die ’s avonds een auto met daarin ‘’een ruige bink’’ aanhoudt. De diender is zo ver heen dat hij dubbel ziet – “Ja, komt u er maar uit, heren” – en zelf de blaastest doet waaraan hij de bestuurder, die werkelijk geen druppel gedronken heeft, wil onderwerpen. 

Frenkel Frank geeft tussen ronde haken aan dat de agent ‘’met zeer dikke tong’’ spreekt. Deze toevoeging maakt dat je je als lezer direct een voorstelling kunt maken van de manier waarop de zin ‘’Ja, komt u er maar uit, heren’’ wordt uitgesproken. In het verdere verloop van het verhaal herinneren dergelijke regieaanwijzingen (“valt bijna”, “wankelend”) je er voortdurend aan dat het niet de aangehoudene maar de agent is die te diep in het glaasje heeft gekeken. 

Interessanter is het om te zien hoe Frenkel Frank in de taaluitingen van de agent diens dronkenschap onder woorden brengt. Daarvoor gebruikt hij onder meer de volgende talige technieken:

  • De agent gebruikt losse woorden in plaats van volledige zinnen en associeert er lustig op los: “Kegel. Bah. Vies. Bloedproef. Ballonnetje. (Zoekt in zijn zakken, zingt) Een ballon, een ballon, een ballonnetje…
  • De agent heeft moeite met het vinden van de juiste woorden: “U dacht dat u nog kaarsvet eh kaarsrecht kon lopen?”
  • De agent verhaspelt woorden: “ongecontroliseerde bewegingen”
  • De agent heeft moeite om de woorden op de juiste plaats in de zin te zetten: “Ik verbied jou om nog met een vierwielig verkeer deel te nemen aan het voertuig”
  • De agent hakkelt: ‘’sub… sib… subsidiair 5000 gulden”

Dimitri’s broer Gregor Frenkel Frank laat in het verhaal Tafelspeech een ik-persoon aan het woord die een feestrede houdt om het tiende lustrum van een bedrijf te vieren. Onder de aanwezigen in de zaal bevinden zich niet alleen vrienden en collega’s maar ook opdrachtgevers. Allen zijn zij er getuige van dat de feestredenaar, die bij aanvang van zijn speech nog geen glas heeft aangeraakt, elk moment van dankbaarheid aangrijpt om een toost uit te brengen en zo gaandeweg onder invloed raakt. Aanvankelijk blijkt dat vooral uit wat hij zegt. Remmingen kent de feestredenaar niet meer, waardoor hij zijn antipathie voor sommige personen en zijn ongenoegen over bepaalde zaken niet onder stoelen of banken steekt. 

Naarmate zijn toespraak vordert blijkt ook uit hoe hij spreekt dat de alcohol zijn werk begint te doen.  Dat begint met een lichte vorm van stotteren: “p-publiek”, “ho-honderdtwintigduizend” en “va-vaatdoek”. Maar niet veel later gaan alle remmen los en schoffeert hij de aanwezigen. De drank heeft uiteindelijk zozeer bezit van hem genomen dat hij aan het lallen is. Slechts met moeite is te volgen wat de straalbezopen redenaar nog de zaal inslingert. Frenkel Frank brengt dit aan het eind van zijn verhaal fraai onder woorden: 

Jan, sorry hoor, daar ga je, want azz d’r één izz, die va me zond in ze gaj d-dan maak ik almal zoeff van de haas en gehakse brief. G-Geen mens op de hele werrel zal va mij ooidinse leve kunn weg da deeze jochi ammenooi ui dese koste komp. Frek, dast vrouje vebommele weer, chrissus watte kop. Blij vamme af, k-kom ook nie an jou istwel. Ik? Niks devan, ik ga nog langenie na huiss, nog la-angenie, wan datteme toffees z-zijn da willeme wete… en zaze sodemie… wegame goeiegoedsegadverju-u-me…

Dronken personages 

Schrijvers en alcohol zijn geen vreemden voor elkaar (zie bijvoorbeeld hier en hier), maar ook in de literatuur zelf is alcoholgebruik een geregeld terugkerend motief. De schrijver L.H. Wiener bracht in 2009 de bundel Koningswater. Gedrenkte verhalen uit waarin hij ‘alcoholiese verhalen’ uit de Nederlandse en Engelstalige literatuur bijeenbracht. Ook romanpersonages gaan ze soms aan drank te buiten. Denk aan Frits van Egters die in Reves De Avonden op de reünie van zijn middelbare school te diep in het glaasje kijkt of Armin Minderhout die in De Passievrucht van Karel Glastra van Loon [let op: spoiler alert!] zijn zoon in een stomdronken bui vertelt dat hij niet zijn echte vader is.  

Dronken in de klas? 

Hoewel de meeste leerlingen officieel niet mogen drinken, kunnen zij wel legaal onderzoek doen naar het nuttigen van alcohol in drankgebruik in literaire romans en verhalen. Als voorbeeld kan dit artikel van Jacqueline Bel dienen waarin zij enkele naturalistische romans heeft geanalyseerd. Drie vragen stonden daarbij centraal:  

  • Komt er drank voor in de roman?
  • Door wie wordt er gedronken?
  • Wat is de functie van het drankgebruik in de roman? 

Graag zou ik daar een vierde vraag aan toevoegen:

  • Hoe worden taaluitingen van dronken personages weergegeven?

Niet alle schrijvers zullen zich wagen aan het opschrijven van woorden die gesproken worden door beschonken personages. Het is geen eenvoudige opgave om dat waarheidsgetrouw te doen. Daar komt bij dat weergave van dronkemansgelal al snel iets kluchtigs krijgt. In de hierboven besproken verhalen draagt dat bij aan een humoristisch effect, maar de vraag is of dat in een literaire roman wordt nagestreefd. Bovendien kan een lezer zich ook door omschrijvingen alleen een beeld vormen van de lichamelijke toestand waarin een personage zich bevindt. 

Voor zover ik weet is er nog niet eerder onderzoek gedaan naar de manier waarop schrijvers van literaire romans hun aangeschoten of dronken personages laten spreken. Kiezen zij voor het omschrijven van de dronkenschap (lallend liep hij over straat), geven zij letterlijk weer wat de romanfiguren zeggen (“Blij vamme af, k-kom ook nie an jou istwel”) of gebruiken zij een combinatie van beide manieren? De uitkomsten van dit onderzoek kunnen leerlingen toevoegen aan de Wikihow “Doen alsof je dronken bent”, want nu is de informatie voor de component ‘dronken spreken’ nog onbevredigend te noemen.  

Het inventariseren van passages uit de Nederlandse literatuur waarin personages dronken zijn, kan een interessante database opleveren. Zou het drankmisbruik in romans sinds de naturalistische romans zijn afgenomen, misschien onder invloed van overheidscampagnes om met mate te genieten en wetten om jongeren tot hun achttiende ‘’nix’’ te laten drinken? Da izz een .. uh intressan onderzoek v-v-voor een prowerkfielstuk, hik..

Afbeelding: Paul Hermans, Hasseltse jenever [bron: Wikimedia Commons]