Kijkende naar de toost van de koning

Constructies met houden/krijgen en een tegenwoordig deelwoord

Door Maarten Bogaards

Ter afsluiting van de eerste (en hopelijk gelijk laatste) Koningsdag die via computerschermen moest worden gevierd, bracht koning Willem Alexander een toost uit op ‘iedereen die Nederland op dit bijzondere, bizarre moment draaiende houdt’. Een gepast sentiment dat ook nog eens op een interessante manier is geformuleerd, namelijk met een tegenwoordig deelwoord: draaiende. Een tegenwoordig deelwoord krijg je door aan een infinitief (draaien) de uitgang –d (draaiend) of -de (draaiende) toe te voegen. In de toost van de koning heeft het deelwoord de langere uitgang en is het niet-attributief gebruikt (daarover zo direct meer). Normaal gesproken doet dat wat ouderwets en plechtig aan: ‘Kijkende naar de toost van de koning at ik een oranjetompoes’, om dat niet-ironisch te kunnen zeggen moet je minstens honderd jaar oud zijn. Toch voelt de formulering van de koning niet alsof die onder drie lagen stof vandaan is gehaald. Hoe kan dat?

Couperus

Het tegenwoordig deelwoord functioneert in het hedendaagse taalgebruik meestal attributief. Dat wil zeggen: direct verbonden met een zelfstandig naamwoord, zoals eigenlijk alleen bijvoeglijk naamwoorden dat kunnen. Hieronder zijn bijvoorbeeld de bijvoeglijk naamwoorden lekkere en grote attributief gebruikt. Ze schrijven heel direct een eigenschap toe (oftewel: ‘attribueren’ die) aan het zelfstandig naamwoord waar ze bij staan, hier thee (die dus lekker is) en meisje (dat dus heel groot is).

  • de lekkere thee
  • een heel groot meisje

In deze positie komen ook tegenwoordig deelwoorden voor. Hoe zeg je bijvoorbeeld dat de lekkere thee van hierboven niet alleen lekker is, maar je ook nog kalmeert na een stressvolle dag? Juist, je neemt het werkwoord kalmeren en plakt er -de achter, en je hebt een tegenwoordig deelwoord dat zo de plaats van lekkere kan innemen. Ander voorbeeld: dat grote meisje van hierboven is heel verbaasd gaan kijken. Ook dat kun je met het tegenwoordig deelwoord van kijken ‘attribueren’. Zo komen we van de attributieve bijvoeglijk naamwoorden van hierboven naar de attributieve tegenwoordig deelwoorden hieronder (die, voor de liefhebber, hier dus een soort van bijvoeglijk naamwoord zijn).

  • de kalmerende thee
  • het heel verbaasd kijkende meisje

Tegenwoordig deelwoorden kunnen ook niet-attributief functioneren, met name als bijwoordelijke bepaling. Dat ziet er dan zo uit:

  • De lekkere thee, mij kalmerende, smaakte naar kamille en sinaasappel.
  • Het grote meisje, heel verbaasd kijkende, vroeg me wat er aan de hand was.

Hiermee zijn we aanbeland bij het gebruik van tegenwoordig deelwoorden dat nogal oubollig aandoet. Als iemand een van de zinnen hierboven zou uitspreken, zou ik me afvragen in wat voor deftige negentiende-eeuwse salon ik opeens was beland. In de romans van Louis Couperus komen we dit soort deelwoorden dan ook veelvuldig tegen. Sla Van oude mensen bij de eerste bladzijden open en je leest:

  • Kleintjes en recht in haar stoel, las zij nu door, met aandacht, zich kalmeerende, omdat Lot zoo kalm gesproken had en haar zoo lief had een zoen gegeven. Het gas suisde en Lot dronk zijn koffie, en ziende naar zijn bottines, vroeg hij zich af, waarom hij ging trouwen. (Van oude mensen, de dingen, die voorbijgaan…, p.8).

Niet-attributieve tegenwoordig deelwoorden dragen hier bij aan de bouw van plechtige, literaire zinnen, maar zulke deelwoorden komen we buiten de romans van Couperus doorgaans niet tegen.

Causatief

Toch klink het niet-attributieve tegenwoordig deelwoord uit de toost van de koning (draaiende) volstrekt normaal. In z’n geheel liep de zin als volgt:

  • Maar ik wil vooral ook een toost uitbrengen bij dezen op iedereen die Nederland op dit bijzondere bizarre moment draaiende houdt.

Wat dit deelwoord anders (en een stuk minder oubollig) maakt dan de deelwoorden van Couperus, is dat het gecombineerd is met het werkwoord houden. Die combinatie betekent zoiets als: het onderwerp (iedereen) zorgt ervoor dat het lijdend voorwerp (Nederland) blijft draaien. In deze combinatie komen we naast houden vrijwel alleen krijgen tegen, zoals in de volgende zin:

  • De VS hopen hiermee de economie weer een beetje draaiende te krijgen.

Met krijgen heeft de combinatie een iets andere betekenis: het onderwerp (de VS) zorgt ervoor dat het lijdend voorwerp (de economie) niet blijft, maar begínt te draaien. Wat houden en krijgen hier gemeen hebben, is de ‘ervoor zorgen dat’-betekenis, die in de taalkundige literatuur wel ‘causatief’ wordt genoemd. Daarbij kun je denken aan het Engelse to cause ‘veroorzaken’: het onderwerp veroorzaakt de situatie uitgedrukt door het tegenwoordig deelwoord (draaien).

Verder kan het tegenwoordig deelwoord ook van andere werkwoorden dan draaien komen. Maar, en hier wordt het interessant, dat zijn er niet zo gek veel. Een snelle zoekopdracht in het SoNaR-corpus leert dat de volgende zes deelwoorden het vaakst met houden samengaan (in het midden de absolute frequentie en rechts een voorbeeld uit het corpus).

Interessant is ook dat de meeste van deze deelwoorden zowel de korte (draaiend) als lange (draaiende) vorm kunnen hebben, maar dat levend en gaande zich elk in maar een van de twee gedaantes laten zien. Voor mijn taalgevoel zijn levende houden en gaand houden inderdaad heel vreemd.

De deelwoorden in deze tabel zijn niet de enige mogelijkheden voor ‘houden + tegenwoordig deelwoord’, maar ze zijn met 975 hits wel goed voor 94% procent van de totale opbrengst van de zoekopdracht (1038 hits). Het patroon lijkt dus sterk beperkt; dat geldt niet alleen voor het tegenwoordig deelwoord (zie tabel) maar ook voor het werkwoord waarmee dat deelwoord combineert (vrijwel alleen houden en krijgen).

Constructies met aan het

Dat is wel anders voor een constructie die sterk lijkt op dit patroon, qua zowel vorm als betekenis: de ‘aan het + infinitief’-constructie. Die is een stuk frequenter en voor mijn gevoel ook gewoner dan het tegenwoordig-deelwoordpatroon waar we hier op zijn gestuit.

Wat hebben ze gemeen? Ten eerste combineert aan het-constructie ook met de causatieve werkwoorden houden en krijgen, en ten tweede dat levert dezelfde of op z’n minst een heel vergelijkbare betekenis op. In de voorbeelden van hiervoor kunnen we van het tegenwoordig deelwoord een heel werkwoord maken en er aan het voor zetten, zonder dat de betekenis merkbaar verandert:

  • Maar ik wil vooral ook een toost uitbrengen bij dezen op iedereen die Nederland op dit bijzondere bizarre moment aan het draaien houdt.
  • De VS hopen hiermee de economie weer een beetje aan het draaien te krijgen.

Maar in tegenstelling tot het tegenwoordig-deelwoordpatroon gaat ‘aan het + infinitief’ samen met een hele reeks werkwoorden, en die zijn lang niet allemaal causatief. Het bekendst is de combinatie met zijn, die als progressiefconstructie te boek staat, wat wil zeggen dat ze aangeeft dat een bepaalde handeling aan de gang is. Andere mogelijkheden zijn gaan en raken, die het begin van zo’n handeling aanduiden. Van een ‘veroorzaker’ is bij zijn, gaan en raken geen sprake; in de volgende zinnen onderneemt het onderwerp (mijn vriendin) de handeling (videobellen) steeds zélf.

  • Mijn vriendin is aan het videobellen.
  • Mijn vriendin gaat aan het videobellen.
  • Mijn vriendin raakt aan het videobellen.

Als we deze werkwoorden met een tegenwoordig deelwoord uitproberen, wordt snel duidelijk dat zijn niet erg goed werkt, en dat gaan en raken echt onmogelijk zijn.

  • ??De economie is draaiende. / ??Het schip is drijvende.
  • *De economie gaat draaiende. / *Het schip gaat drijvende.
  • *De economie raakt draaiende. / *Het schip raakt drijvende.

Als we ‘werkwoord + tegenwoordig deelwoord’ en ‘werkwoord + aan het + infinitief’ met elkaar vergelijken, blijkt dus dat de eerste constructie een stuk beperkter is in de tegenwoordig deelwoorden en hoofdwerkwoorden die het kan selecteren.

Controle

Hoe kunnen we die beperkingen verklaren? Een mogelijk antwoord op die vraag ligt in de betekenis van de hoofdwerkwoorden (houden en krijgen) én de tegenwoordig deelwoorden (draaiende, drijvende, enz.) die het patroon selecteert. Wat valt er namelijk op: allebei leggen ze de controle over de situatie bij iemand of iets anders neer. Neem de volgende voorbeelden uit de tabel:

  • Apothekers willen een kostendekkend tarief om hun apotheek draaiend te houden.
  • De onderofficier technische dienst heeft simpel gezegd de taak het schip drijvende te houden.

De situatie wordt steeds uitgedrukt door het tegenwoordig deelwoord: in het eerste voorbeeld gaat het om draaien en in het tweede om drijven. Op wie of wat heeft die situatie direct betrekking? Dat zijn hun apotheek (de apotheek draait) en het schip (het schip drijft). Tegelijkertijd zit in de betekenis van de werkwoorden draaien (‘rendabel zijn, goed functioneren’) en drijven (‘aan het wateroppervlak blijven’) dat het onderwerp er weinig of geen directe controle over uitoefent. Dit geldt trouwens ook voor de overige werkwoorden in de tabel: over leven, gaan (als in ‘blijven functioneren’), branden en varen heb je nu eenmaal weinig directe controle.

Iets heel vergelijkbaars zien we terugkomen in de hoofdwerkwoorden waarmee het tegenwoordig deelwoord samengaat. Dat zijn namelijk, zoals we eerder zagen, de causatieve werkwoorden houden en krijgen, die hun onderwerp opvoeren als de veroorzaker van de situatie. Oftewel: houden en krijgen pakken de controle af van het onderwerp van het tegenwoordig deelwoord en overhandigen die aan hun eígen onderwerp. En aangezien die tegenwoordig deelwoorden (zoals draaien, drijven en leven) hun onderwerp überhaupt al niet bijster veel controle toevertrouwen, hebben ze daar weinig problemen mee.

In de voorbeelden hierboven zien we dus dat het weliswaar de apotheek is die blijft draaien en het schip dat blijft drijven, maar dat de oorzaak of veroorzaker daarvan iets of iemand anders is: het kostendekkend tarief houdt de apotheken draaiend, en de onderofficier technische dienst houdt het schip drijvend. En dat is ook zo bij de overige voorbeelden in de tabel.

Het lijkt er daarom op dat we met een constructie te maken hebben met de vorm ‘houden/krijgen + tegenwoordig deelwoord’, die z’n temporele betekenis best wil delen met ‘aan het + infinitief’, maar één harde eis heeft: het onderwerp van het hoofdwerkwoord moet alle controle krijgen (in plaats van hetgeen waarop het tegenwoordig deelwoord direct betrekking heeft).

Corona

Het is alles bij elkaar dus helemaal niet zo’n gekke keuze van de koning (of z’n tekstschrijver) om voor een niet-attributief tegenwoordig deelwoord te kiezen, zelfs als dat doorgaans nogal stoffig overkomt. Laten we de toost er nog eenmaal bij halen:

  • Maar ik wil vooral ook een toost uitbrengen bij dezen op iedereen die Nederland op dit bijzondere bizarre moment draaiende houdt.

Door ‘houden + tegenwoordig deelwoord’ te gebruiken, maakt de koning duidelijk dat Nederland, ondanks alle narigheid die corona met zich meebrengt, stug door blijft draaien. Sterker nog, dat beweert hij niet eens, het is een vooronderstelling die geruisloos wordt aangenomen dankzij het feit dat ‘houden + tegenwoordig deelwoord’ in een betrekkelijke bijzin is ingebed.

Maar: het is niet Nederland zelf dat de controle heeft over het ‘blijven draaien’. In plaats daarvan overhandigt ‘houden + tegenwoordig deelwoord’ de controle aan het onderwerp van houden. En wie is dat? Niemand minder dan ‘iedereen’, of specifieker ‘iedereen die Nederland draaiende houdt’. Een cirkelredenering haast, die iedereen die zich erin wíl herkennen een vrijbrief geeft om te concluderen: inderdaad, Majesteit, in tijden van corona heb ik nog altijd de controle. Daar toosten we dan maar op.

Verder lezen

In Neerlandistiek is al eerder geschreven over niet-attributieve tegenwoordig deelwoorden (Jansen & Lentz 2002). Verder is er een hoop literatuur over ‘aan het + infinitief’ en de werkwoorden waarmee de constructie combineert, zie met name Haeseryn et al. (1997:1048-1054), Boogaart (1999:167-204), Van Pottelberge (2004:28-37), Booij (2010:146-168) en Broekhuis et al. (2015:151-156).

Boogaart, R. (1999). Aspect and temporal ordering. A contrastive analysis of Dutch and English. Dissertatie, Vrije Universiteit Amsterdam.

Booij, G. (2010). Construction morphology. Oxford: Oxford University Press.

Broekhuis, H., N. Corver & R. Vos. (2015). Syntax of Dutch: Verbs and Verb Phrases, Volume 2. Amsterdam: Amsterdam University Press.

Haeseryn, W. et al. (red.) (1997). Algemene Nederlandse Spraakkunst. Tweede, geheel herziene druk. Groningen: Martinus Nijhoff.

Jansen, F. & L. Lentz (2002). ‘Braad dikwijls bedruipende. Twee manieren om gelijktijdige handelingen aan te duiden: deelwoordconstructies en onder-constructies’. Neerlandistiek.nl.

Van Pottelberge, J. (2004). Der am-progressiv. Struktur und parallelle Entwicklung in den kontinentalwestgermanischen Sprachen. Tübingen: Gunter Narr.

Om de combinatiemogelijkheden van ‘houden + tegenwoordig deelwoord’ te verkennen, heb ik in het SoNaR-corpus de volgende zoekopdracht gebruikt: [pos=”WW.od.*”][“te”][lemma=”houden”&pos=”WW.inf.*”]. Door te in te voegen kon de ruis aanzienlijk worden ingeperkt, maar voor vervolgonderzoek is het natuurlijk raadzaam een breder net uit te werpen. Daarnaast heb ik de combinatie staande houden uit de resultaten geweerd, omdat dat een vaste combinatie lijkt te zijn met een afwijkende betekenis: houden duidt daar geen voortzetting aan, maar juist een verandering van toestand (van niet-staande naar wel-staande). Tot slot is het nu wat mij betreft de grote vraag waarom de tegenwoordig-deelwoordconstructie uit dit stukje wel sómmige causatiefwerkwoorden selecteert (houden en krijgen), maar niet álle causatiefwerkwoorden (hebben, brengen, maken en zetten) waarmee ‘aan het + infinitief’ voorkomt. En: zijn niet-causatieve werkwoorden in sommige gevallen toch niet mogelijk (bv. ‘Alles wat groeit is levend’)?