Het nieuwe lezen

Door Nico Keuning

Om het lezen onder de studenten Creatief Schrijven te bevorderen, wijs ik ze vaak op de Literaire juweeltjes, de handzaam gebonden boekjes voor inmiddels € 1,99 met verhalen, of een romanfragment van uiteenlopende schrijvers. Een springplank naar het boek, een schrijver, een oeuvre. Online adviseerde ik in deze coronaweken De toeristenslager van Jamal Ouariachi. Ik betwijfel overigens of de studenten in het algemeen tijdens de coronacrisis meer zijn gaan lezen. De afgelopen weken is er aan papieren boeken, e-books en luisterboeken 20% minder verkocht dan in de vroegere weken in maart. Geen nieuwe lezersgolf dus. Maar wie leest, leest door de coronacrisis anders, alle goede bedoelingen van de schrijver ten spijt.Al in de eerste alinea van het verhaal ‘De toeristenslager’ huiverde ik bij de zin: ‘Bij het handen schudden gaf hij geen noemenswaardige lichaamswarmte af, wel een kille vochtigheid.’ In gedachten zag ik eindeloos veel virussen van hand tot hand gaan. En in de tweede alinea kreeg ik het ineens benauwd: ‘Zijn adem rook naar aarde, zijn blik hield hij krampachtig op het bedieningspaneel [van de lift] gericht.’ Dan is het stelletje eindelijk alleen op de hotelkamer: ‘Eindelijk alleen, na meer dan een etmaal omringd te zijn geweest door taxichauffeurs, luchthavenmedewerkers, collegapassagiers.’ Handen wassen, roep ik. Douchen!

Vanuit het huidige coronaperspectief heb ik al een reeks van verboden handelingen gelezen. En dan ben ik nog pas op de tweede bladzijde. ‘We zaten veilig op vierhoog en keken uit op een kerk, omringd door een uitbundig nachtleven waar we ons dankzij het dubbele glas van de ramen gemakkelijk aan konden onttrekken, maar waar we ons ook in konden onderdompelen wanneer we maar wilden.’ Was het maar waar. Het verhaal speelt in een voorbij verleden tijd. Het enige beeld dat wij herkennen is de sociale isolatie achter ‘het dubbele glas van de ramen’.

De stad doet me aan Amsterdam denken zoals deze vroeger was, in de tijd voor de crisis. Het stelletje wil de weg oversteken: ‘We werden bijna omvergereden door een peloton fietsers, tientallen bellen rinkelden woedend, er klonk geschreeuw, iemand riep “Fucking tourists!’, en we deinsden achteruit, terug naar het veilige trottoir.’ Er heerst een waanzinnige drukte in de stad. De musea zijn vol, in restaurants zijn alle tafels bezet, op de terrassen is geen vrije stoel te bemachtigen.

De schrijver probeert de lezer mee te voeren naar het huiveringwekkende slot van het verhaal, maar de lezer wordt voortdurend afgeleid door de sfeerbeelden van een door toeristen bezette stad: ‘Elke dag de mensenmassa’s, de medetoeristen, we worstelden ons door wouden van selfiesticks die overal door hun eigenaren dreigend als geweerlopen in de lucht werden gestoken.’

Niet het verhaal werd de door de schrijver bedoelde nachtmerrie, maar het geschilderde decor waartegen het verhaal zich afspeelt: the horror. Van de weeromstuit werd ik er heel blij van: de gekte van het toerisme was door besmettingsangst uit de stad, het land, de wereld verdreven. Lezen was niet meer verdwijnen in een andere wereld, maar beseffen in welk een gelukzalige wereld wij sinds kort leven.

Ook het tweede verhaal ‘De brug’ biedt de lezer een terugblik naar de tijd van de ellende: files. ‘De filevorming in de tunnel tussen Noord en Zuid liep zo uit de klauwen dat zuiderlingen soms al op zondag naar de Noordoever afreisden en daar in een pension de nacht doorbrachten, zodat zij op maandagochtend tijdig op hun werk konden verschijnen.’ Heel normaal, in het precoronatijdperk. Maar het is de hel. Nu kun je lekker thuiswerken, een wandeling maken, boodschappen doen, skypen, zoomen en appen.

We moeten er nog maar even van genieten. Straks is de rust weer voorbij. In Oostenrijk mogen na Pasen kleine winkels en parken alweer open.