Het lijden van Christus

Door Jos Joosten

Wanneer wij vroeger als kind over een kleinigheidje jammerden of klaagden, had mijn vader nog weleens als reactie: ‘Ach, onsliefheertje heeft zoveel geleden!’. Het was een evidente dooddoener die hij ongetwijfeld ook weer uit zijn jeugd had meegenomen. Maar ook (of: zelfs juist) zo’n dooddoener geeft allicht aan hoe diepgeworteld het besef en meevoelen met de lijdende Christus wortelt bij de gelovige mens.

Een beetje paradoxaal dat de grote inbreuk op het gewone leven, welzijn en voortgang die de huidige situatie is er oorzaak van is dat de paasweek zo volledig onttakeld voortgaat. Goede Vrijdag is voor mij normaal een kerkelijk ijkpunt, met tal van momenten voor bezinning (de kruisweg ’s middags, Haydns Kruiswoorden, de avondmis en ’s morgens heel vroeg een uur waken in de kapel) en nu zijn die bakens allemaal weg.

Natuurlijk is er een schat aan teksten die je juist nu kan helpen (wat dat betreft is en blijft mijn beroep het mooiste van de wereld zeker in deze lockdowndagen). In de Goede Week was er altijd al een moment dat ik Goede vrydag ofte Het lijden onses heeren Jesu Christi ter hand neem, dat Jeremias De Decker in 1651 schreef.

Deze De Decker (1609-1666) is bepaald niet ’s lands meest in het oog springende zeventiende-eeuwer, tijdenlang vooral bekend van het wapenfeit dat Rembrandt hem ooit portretteerde en verder eeuwenlang op de literair-historische vuilnishoop gegooid. Het was een kruidenier én kruidenierszoon en kruideniers will kruidenier, dat bleek uit alles: vooral die ordinaire, uitbundige, ja haast katholieke stijl van ‘Goede Vrydag’ werd allesbehalve smaakvol gevonden.

Totdat Willem Kloos, maar dan hebben we het over tweede helft negentiende eeuw, juist dat interessant vond: er bestonden dus ook in vroeger eeuwen Nederlandse dichters die het lijden doorleefd en met passionele inleving wisten op te roepen! Kort gezegd: die christelijke meuk zei Kloos niet zoveel, maar de expressie van het lijdensgevoel: ‘ik geef waarschijnlijk minder om het reële onderwerp van dit dichtstuk (…) en toch voel ik me een zenuwtrilling van het hoofd tot de voeten door het lichaam gaan, als ik dit vers lees (…)’.

Ik kende De Deckers tekst niet van vroeger. Nooit aan bod gekomen tijdens school of studie Nederlands. Voor letterlijk drie losse guldens pikte ik veel later een exemplaar uit een kartonnen doos. Het bleek de meest recente editie, van Buytendijk uit 1978. En het overdonderde (mij) vanaf het begin. Je snapt meteen wat Kloos er vanuit zijn individualistische poëtica in zag. In De Deckers hele lijdensverhaal is prominent een dichterlijke ‘ik’ aanwezig die verhaalt. Al vanaf de opening komen de individuele dichterlijke emoties op deze speciale dag aan bod.

Nadien ons dese dag te nooden schijnt veeleer
Tot klachten als tot kluchten:
Soo voel ik my beweegt uw bitter lijden, Heer,
En in uw lijden, laes! myn’ sonden te besuchten.

Een ander, Christe, mag (indien ’t hem lust) een lied
Op vorsten-daden smeden:
Voor my (ik spreke rond) ’t en raekt ’t en roert my niet
Wat Caesar heeft gedaen, maer wat ghy hebt geleden.

Ik dencke menigmael nu aen die felle roên,
Nu aen dat valsch betichten,
Nu weer aen kroon en kruys; wat kan ick beter doen,
Als die gedachten eens uytwerpen in gedichten?

De Decker neemt afstand van de adaptatie van de klassieken, die in zijn tijd zo gangbaar was: Caesar boeit hem niet, maar het lijden van Christus, dáár gaat het om. Mooi is dan hoe een kleine tweeënhalve eeuw vóór Tachtig de expressieve poetica al expliciet beleden wordt: wat kan de dichter beter doen dan zijn ‘gedachten uytwerpen in gedichten’?

De Decker probeert dan ook zijn emoties bij het ultieme leed de Heer aangedaan zoveel mogelijk inleefbaar te maken. Het duidelijkst wordt dat – natuurlijk – bij de kruisiging zelf. Opmerkelijk is dat de oertekst in de Bijbel over de kruisiging ronduit sober is, zoals in het evangelie van Lucas (23:33):

Aangekomen bij de plek die de Schedelplaats heet, werd hij gekruisigd.

Niks bloed, zweet of tranen.
Laat staan André Hazes jr. die een duet zingt met Leo Fijen.

Maar ook de protestante zeventiende-eeuwer Jeremias de Decker toont zich niet bepaald tekstvast. Hij kiest voor een fascinerende oplossing: de dichter is feitelijk en fysiek getuige van de kruisiging. Hij hoort en ziet van nabij het indringende gebeuren. Hij maakt het mee en zo moeten wij het allemaal meemaken. Dat is wat poëzie kan.

Ik hoor de spijckeren met ysselijcke slagen
Door hout en handen jagen:
’t Geklop gaet overhand;
De wreedheyd treft by beurt dan d’een dan d’ander’ hand.

Nu salse gaen aen ’t hout de teere voeten hechten:
Daer smijtse door den rechten,
Daer door den slincken heen;
Amy! wat slaen is dat! dat knerst door vleesch en been.

Men recht het hout om hoog: ach! ach! dat dreunen, draeyen,
Dat waggelen en swaeyen
Dan van dan na den grond,
Is elk hier weer op nieu een slag in elke wond.

Sie daer het kruys gerecht, sie daer des Heeren leden
Van boven tot beneden
Soo jammerlijk gerekt,
Dat laes! het vel geen’ rib geen’ senuw houd bedekt:

Sie daer het wondenbloed verspreyt in twee paer beken
Langs hout en armen leken,
Dat suyver wondenbloed
Gestort tot suyvering van ons besmet gemoed.

En dan stilte.

Afbeelding: Jeremias De Decker, door Rembrandt van Rijn. Bron: Wikimedia