Het komt allemaal goed met Nederlands

Door Marc van Oostendorp

Misschien begon aan de Amsterdamse De Boelelaan de victorie. Toen vorig voorjaar de VU, die aan die laan gevestigd is, besloot om wat er nog resteerde van de opleiding Nederlands te sluiten, was er ineens overal aandacht voor de zorgelijke staat waarin álle universitaire opleidingen Nederlands in Nederland bleken te verkeren – een treurig lot waarin trouwens ook de opleidingen in Vlaanderen lijken te delen, zij het misschien iets minder dramatisch.

In de voorafgaande jaren had nooit iemand naar de gang van zaken rondom de VU gekraaid. De opleiding was langzaam maar zeker steeds verder afgetakeld. Van de drie tradionele poten van de neerlandistiek – de taalkunde, de letterkunde en de taalbeheersing – was alleen de middelste nog over, en die als ‘track’ van een opleiding Literatuur en samenleving die ook een Engelstalige ‘track’ kende. Al die stapjes waren stilletjes gezet. Maar het laatste stapje werd ineens te veel.

Iedereen kwam in actie! In de Kamer werden vragen gesteld, de minister vroeg de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen (KNAW) om advies, de universitaire neerlandici verenigden zich in een ‘Raad voor de neerlandistiek’. Toegegeven, met rapporten en vergaderingen trek je weinig 18-jarigen naar de collegezalen, maar op zijn minst liet het zien dat het probleem serieus werd genomen.

En er kwam ook zowaar elan. Het laatste jaar schoten websites voor scholieren – met namen als LitLab en Taal onderzoeken doe je zo – ineens als paddestoelen uit de grond. Dit voorjaar wordt de eerste Olympiade Nederlands gehouden, gezamelijk georganiseerd door onderzoekers van de universiteiten van Antwerpen, Utrecht en Nijmegen, en ook gericht op scholieren. Begin maart worden in Leiden de neerlandistiekdagen georganiseerd, waarin iedereen die zich interesseert voor het onderzoek naar de Nederlandse taal en letterkunde, welkom is.

De crisis in het vak leidde bovendien tot allerlei samenwerking die het vak ook daadwerkelijk interessanter maken. Wie ooit bang was dat een studie Nederlands je veroordeelt tot een leven in onze zompige moerassen, hoeft niet langer te vrezen: de contacten met collega’s in Zuid-Afrika, Hongarije, Polen, Engeland en tal van andere universiteiten zijn sterker dan ooit. Want in al die buitenlanden was het belang van de Nederlandse taal en cultuur niet vergeten. Het opent ook voor studenten mogelijkheden om een deel van de tijd elders door te brengen.

De studentenaantallen lijken zowaar voorzichtig overal een beetje aan te trekken, en dat met een heel leuk, nieuw soort studenten: strijdbaar, bereid om zich in te zetten voor een vak dat zo belangrijk is – het gaat immers over taal en cultuur, de zaken die ons tot mens maken, over de Nederlandse taal en cultuur bovendien, die ons verbinden met dit stukje grond, met iedereen die in de eeuwen voor ons die taal en die cultuur hebben opgebouwd.

De strijd is nog lang niet gestreden. Je ziet bijvoorbeeld overal in de Westerse wereld dezelfde terugname aan belangstelling voor studies in eigen taal en cultuur. Wat de oorzaken daarvoor ook zijn – ontlezing? de wens om alleen nog opleidingen te doen die leiden tot een gegarandeerde lease-auto? –, ze zijn niet door een groep enthousiaste neerlandici op te lossen.

Maar één ding hebben de ontwikkelingen van de afgelopen maanden wel laten zien: ze krijgen de neerlandistiek er niet onder. Zelfs de VU heeft toch weer een nieuwe hoogleraar Nederlands: Jacqueline Bel.

Dit stuk is geschreven voor de Corona crisis, maar ook die gaat niets veranderen aan de strekking van dit verhaal. Het verscheen deze maand in Neerlandia, het tijdschrift van het Algemeen Nederlands Verbond