Het coronalied en het choleralied: zingen in tijden van rampspoed

Door Lotte Jensen

Onlangs lanceerde een groep van 100 BN’ers het benefietlied ‘zon’. Het lied, dat al snel tot ‘coronalied’ werd omgedoopt, riep op tot eensgezindheid. Twee zinnen eruit: ‘Vandaag draag ik het hart van iedereen’ en ‘ik doe wat een ander van me nodig heeft’. Het was bij lange na niet het enige muzikale initiatief. Zo zong Alain Clark een ode aan alle zorgmedewerkers en nam het Rotterdams Philharmonisch Orkest een unieke en veelgeprezen versie van ‘Alle Mensen werden Brüder’ op, tot genoegen van niemand minder dan Oprah Winfrey. En dan waren er nog Davina Michelle en Snelle die ‘Zeventien miljoen mensen’ in een leeg Ahoy speelden.

Het zingen in tijden van rampspoed is al eeuwenoud, zo laat recent onderzoek zien. Rampliederen waren bedoeld om nieuws te verspreiden, zingeving te bieden en troost te verschaffen. We weten dat er uitgebreid gezongen is na overstromingen, sprinkhanenplagen, aardbevingen en branden. Maar hoe zat het met epidemieën? Werd daar ook over gezongen? Leent een cholera-uitbraak zich ook voor een lied?

Onlangs schreef Marita Mathijsen een heel mooie beschouwing over de corona van de negentiende eeuw, de cholera. Ze liet zien hoezeer deze ziekte tot de verbeelding van dichter sprak. Bekende schrijvers als Nicolaas Beets en Adriaan van der Hoop wijdden huiveringwekkende verzen aan de slepende ziekte. Als aanvulling daarop: er zijn ook twee liederen te vinden over de cholera. In mijn dagelijks groeiende database rampliederen kwam ik er twee tegen. 

Het eerste lied dateert uit oktober 1848 en draagt een krachtige titel: ‘DE CHOLERA REGEERT NIET!’. Het negen strofen tellende lied opent als volgt:

Wat ramp! Reeds tot aan de Amstelboorden
Drong ’t Aziatische monster door.
Met zachten tred kwam ’t op uit ’t Noorden.
En ’t Oosten zag zij bloedig spoor.
’t Verzwelgt, met opgesperde kaken, 
Wie vreest, verlamt, wie ’t argloos naken
En geeft aan zucht noch beê gehoor.

Het verslindende monster leidt ertoe dat veel Nederlanders in angst verkeren, maar, zo zegt de (anonieme) liedjesschrijver: die angst is niet terecht. Wie zich verliest in angst, vergeet dat niet de cholera regeert, maar dat het God alleen is die regeert: Maar God alleen, de Heer des Heeren, / Regeert, – Hij houdt uw levensdraad in Zijne hand’.  En dus is het zinloos om de vrees te voeden. Als men al bang zou moeten zijn, dan is het wel voor het eigen gedrag. Want zijn de Nederlanders niet vooral bang om voor hun eigen ‘zinvermaken’ gestraft worden? Mensen kunnen wellicht zichzelf bedriegen, maar God laat zich niet misleiden:

Maar, zoo ge u zelven kunt bedriegen –
Hem, God de Heer, bedriegt hij niet!
Mogt, met de ramp, uw zorg vervliegen – 
Gif wierd heildrank, die ze u biedt!
Dit uur – het leere u biddend waken:
Dan zult ge, als God uw hand doet slaken
Zien hoe de vrees uw sponde ontvliedt. 

Een tweede lied komt uit augustus 1849 en is te vinden aan het slot van een pamflet dat ook in deze tijd actueel is. Een Amsterdamse apotheker en een tapper discussiëren over de vraag of de gezondheid of de economie moet prevaleren? Mag de Amsterdamse kermis dit jaar doorgaan? ‘Veel te gevaarlijk!’, meent de apotheker. Maar de tapper is razend: ‘Ik ben er half door geruïneerd, het is om razend te worden!’ De apotheker wijst hem op de doden die als bosjes om hen heen vallen. Uiteindelijk bindt de tapper in: ‘duizendmalen liever wil ik eenige schade lijden, dan zulk een tooneel te aanschouwen’. Het pamflet eindigt met twee strofes die (volgens de liederenbank van het Meertens Instituut), gezongen moeten worden. 

Ja, schoon eigenbaat ’t moog wraken, 
’t Heil van allen gaat voor één, 
’t Strekt tot heil van ’t algemeen:
Alle kermisvreugd te staken, 
Tot dat eens een blijder dag
De IJstad weer beschijnen mag. 

Het zijn zinnen die niets aan actualiteitswaarde hebben ingeboet. Eengezindheid moet voorop staan. De zon moet weer gaan schijnen. Dat doet me denken aan… juist, ja, het coronalied.