Gedicht: W.J. van Zeggelen • Zomer-Zondagavond

Zomer-Zondagavond.

Aan het Scheveninger strand.
De zomerzon daalt in het West
En dooft in zee haar stralen:
Wie gaat er mee naar ‘tNoorderstrand
Een avondkoeltje halen?
Daar woelt een breede menschenkring
Door ’t vriendelijke Schevening;
Men hoopt voor ’t Badhuis zich bijeen
En plaatst zich om ’t muziekkorps heen.

Men ziet er ’t zorgeloos gelaat
Van dames en van heeren;
Parijs voert hier zijn stalen aan
In de uitgezochtste kleeren.
Men zoekt een tochtvrij hoekjen uit,
Men lacht er vrij en praat er luid,
En drinkt zijn lang verbeide thee
En pinkt eens jolig naar de zee.

Een rapsodie in rang of stand,
Elk onderscheid verbannen,
Een table d’ hôte, een groote stoet
Van afgerichte Jannen;
Een Duitsch gezin met kamenier,
Modiste, staatsraad, officier,
Coiffeur, apteker, advokaat,
Geen die zijn buurman mijdt of schaadt.

De meeuw krast door een wals van strauss,
De zon gaat aarzlend onder,
De dienstmeid dartelt langs het strand
Met jager of dragonder;
Men lacht en zingt en stoeit en plus,
De conducteur van de omnibus
Steekt zijn klaroen en geeft het sein
Tot d’ aftocht van den laatsten trein.

De troep trekt af bij luid rumoer
Van roepers en trompetten,
Eén chaos is ’t van tilbury’s
Van drosky’s en charretten;
En huygens’ straatweg is belaân
Met honderden, die stadwaarts gaan,
En wie het Scheveninger strand
Weer moed en lust heeft ingeplant.

Wie ’t zomerzondag avondfeest
Aan ’t zeedorp mag aanschouwen,
Zegt licht: daar is geen krimp in ’t land;
Wij kunnen ’t zoo wel houën.
Voorzeker ja, dat kunnen wij,
Maar och, de vrede hoort er bij.
Heerscht elders oorlog, ziekte en dood –
Wij zitten hier in Abram’s schoot.

(1855)

W.J. van Zeggelen (1811-1879)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.