Gedicht: Julius Vuylsteke • Zwijgende liefde (IV)

O, ‘k heb de lachende lente lief
met haren bleekgroenen dos;
de langgehaarde dichters gaan
dan mijmeren in het bosch.

De nachtegaal zucht dan zijne klacht
in wonderbaar geluid;
de rozen ademen hare ziel
in smachtende geuren uit.

’t Is weder lente! Ik ook herleef,
ik ook voel nieuwen gloed,
‘k ook voel nieuwe liefde in het hart,
in ’t willen nieuwen moed.

‘k Wil openhartig wezen als gij,
o roos, o nachtegaal;
‘k wil haar verklaren geheel mijn ziel
in vrije en vurige taal.

Julius Vuylsteke (1836-1903)
uit: Verzamelde gedichten (1887)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.