Een puzzel met ouwe en ouderwetse auto’s

Door Henk Wolf

Van de week zag ik op Facebook een foto waarop de voorruit en de motorkap van een auto te zien waren. Op de voorstoelen van de auto zaten een man en een vrouw. Aan de chromen randjes, de vorm van de motorkap en andere stijlkenmerken was te zien dat de auto gebouwd moest zijn in de jaren zeventig of tachtig.

Mijn interne samenvatting van het beeld in woorden was: ‘twee mensen in een ouwe auto’. Toen viel me op dat de kleuren van het plaatje niet die waren van een 21e-eeuwse foto, maar meer die van een polaroid uit diezelfde jaren zeventig of tachtig. En toen ik de tekst bij de foto las, begreep ik dat de foto een filmscene was die speelde in de vorige eeuw.

Die kennis maakte dat mijn samenvatting ‘twee mensen in een ouwe auto’ niet langer correct aanvoelde. Immers: de auto was voor die mensen die erin zaten niet oud. Ik zocht een passender omschrijving en kwam uit op: ‘twee mensen in een ouderwetse auto’. Dat klonk wel goed.

Alleen is dat heel vreemd. Want voor de inzittenden was de auto net zo min ouderwets als dat ie oud was: op het moment dat de foto werd gemaakt, vond iedereen de auto vermoedelijk zowel modern als nieuw. Blijkbaar moet het bijvoeglijk naamwoord oud relevant zijn in de tijd waarover je spreekt (in dit geval: ergens in de jaren zeventig of tachtig van de twintigste eeuw, toen de foto werd gemaakt). En blijkbaar mag ouderwets relevant zijn op het spreekmoment (in de lente van 2020).

Dat mag. Maar moet het ook? Verwijst ‘een ouderwetse auto’, uitgesproken in de lente van 2020, per se naar een auto die in die lente van 2020 ouderwets is? Het lukt me niet om daar een oordeel over te vormen, vermoedelijk doordat het lastig is om een auto te bedenken die in de jaren 1970 wel ouderwets was, maar in 2020 niet meer.

Met gezichtsbeharing kan zoiets makkelijker. De volle baard was hip toen ik in de jaren zeventig kind was. Toen raakte de baard uit de mode en dat bleef ie decennia lang. Maar ergens in deze eeuw zijn baarden opnieuw hip geworden. Als we nu een foto zien van een jongeman met een gesoigneerde volle baard en we nemen aan dat die foto in 2020 is gemaakt, dan denken we te kijken naar een hippe jongeman. Maar als die foto nou gemaakt blijkt te zijn in 1995, zouden we dan kunnen zeggen dat we ‘een jongeman met een ouderwets uiterlijk’ zien door te verwijzen naar de gevoelswaarde van zulke baarden bij jongemannen in de jaren negentig? Ik twijfel.

Soms kan ouderwets wel duidelijk relevant zijn in de tijd waarover je spreekt, bijvoorbeeld als je zegt dat je buren vroeger ‘altijd ouderwetse auto’s hadden’. Dat komt vermoedelijk doordat ouderwets hier gerelateerd aan het spreekmoment (lente 2020) overbodig en daardoor irrelevant is. Het samenwerkingsbeginsel, dat veronderstelt dat we altijd relevante dingen zeggen, noopt er ons dan toe om een zinvolle interpretatie te zoeken en die vinden we door ouderwets te relateren aan de tijd waarover wordt gesproken.