De naam van een dode

Wonen in gedichten (7)

Door Judit Gera
Dit gedicht is geschikt voor beginnende studenten
en hoort bij de categorie Rouw,

In de serie Wonen in gedichten bespreekt Judit Gera, hoogleraar in Boedapest, gedichten uit de Nederlandstalige literatuur, ten behoeve van het onderwijs in de Neerlandistiek extra muros (buiten het taalgebied). Vandaag: ‘Op deze onmogelijke wijze’, van Guillaume van der Graft (1920–2010).

Denk mijn naam wanneer ik dood ben

Denk mijn naam wanneer ik dood ben,
denk mijn naam maar roep mij niet,
ik ben vergeten hoe ik heet.

En denk aan mij hoe dwars ik was,
hoe tuk op taal en hoe onzeker
en dat ik van je hield met huid en ziel

maar roep mij niet, lief, roep mij niet,
Ik ben vergeten hoe ik heet.

Uit: Praten tegen langzaam water: gedichten 1942-2007, een keuze, 2017

Willem Barnard (pseudoniem Guillaume van der Graft) was een Nederlandse dichter, schrijver en theoloog. Hij studeerde Nederlandse taal- en letterkunde in Leiden, vervolgens theologie in Utrecht. Geloof en poëzie beleefde hij als twee nauw met elkaar verbonden elementen, maar hij weigerde het etiket dominee-dichter. Dominee-dichters waren werkzaam in de 19e eeuw. Ze vonden dat poëzie een maatschappelijke taak had. Hun gedichten gingen over het belang van vaderlandsliefde, gezin en geloof. Hun poëzie werd door de vernieuwers in de jaren tachtig – vandaar Tachtigers genoemd – ouderwets, gortdroog en belerend gevonden. Er waren echter wat de kwaliteit betreft ook uitzonderingen onder de dominee-dichters zoals P. A. de Genestet. Van der Graft was één van de belangrijkste medewerkers aan het Liedboek voor de Kerken (1973). Hij zorgde voor mooie en originele psalmvertalingen, bovendien dichtte hij ook zelf teksten voor nieuwe gezangen. 

Het gedicht ‘Denk mijn naam wanneer ik dood ben’ is een bijzonder rouwgedicht. Hierin staat namelijk niet de rouwende persoon centraal, maar verplaatst deze zich in de overledene. Hij geeft raad over hoe men met zijn dood en de rouw om dient te gaan. Dit gedicht heeft een extra dimensie gekregen door een tragische gebeurtenis in het leven van zijn zoon Benno Barnard, zelf dichter en schrijver.

In mijn interpretatie laat ik mij door een recent interview met Benno Barnard leiden. In de reeks Verwondering (KRO-NCRV, 23 februari 2020) ondervroeg Annemieke Schrijver Benno Barnard naar aanleiding van zijn dagboek Zingen en creperen 2014–2017 (2019). In dit interview kwam de dood van zijn geadopteerde dochter Anne ter sprake. Veelzeggend is in zijn dagboek de dag van het noodlottige auto-ongeluk van Anna wit gelaten. Het was de dichter niet mogelijk voor dit trauma woorden te vinden. Maar zo legt Benno in het interview uit, soms kan je maar beter zwijgen als je troost zoekt of wilt geven. Daarom is de vaste vorm van een liturgie, zoals in de Anglicaanse kerk bijvoorbeeld, zo sterk. (Benno Barnard woont in Engeland.) De vorm van meditatie op zich geeft troost, juist bij onverdraaglijk verdriet.

In het dagboek van Benno Barnard wordt twee keer naar dit gedicht Denk mijn naam… verwezen. Het is zelfs de inspiratietekst bij zijn dagboek. In het licht van het interview kan ik dit gedicht niet anders dan als iets zeer persoonlijks opvatten. Ondanks de op het eerste gezicht eenvoudige taal en vorm van het gedicht, is de inhoud verre van lichte kost. 

Uitgangspunt is het lyrisch ik dat zijn zoon aanspreekt over het beleven van zijn rouw die hij, de zoon, bij de toekomstige dood van hemzelf – de vader dus – zou voelen. Er zijn drie verzoeken in de drie strofen geformuleerd: ‘denk mijn naam wanneer ik dood ben’, ‘denk aan mij hoe’ [ik als mens was – J.G.] en ‘maar roep mij niet’. Deze drie verzoeken hangen direct met elkaar samen.

‘D[d]enk mijn naam’ staat haaks op ‘maar roep mij niet’. Een naam impliceert dat iemand met die naam door anderen geroepen kan worden. Na de dood kan dat niet. ‘Denk mijn naam’ is ongrammaticaal want het werkwoord denken is intransitief.  In ‘denk’ klinkt het in de bijbel veelvuldig gebruikte ‘gedenken’ in de zin van ‘niet vergeten’ of ‘trouw zijn’ mee. Barnard kende de Tale Kanaäns heel goed.

Het woord naam functioneert hier als pars pro toto: het is een deel voor het geheel; de naam is immers zo diep met het individu verbonden dat het er een deel van wordt dat naar het geheel, naar de hele persoonlijkheid verwijst. Het verzoek ‘maar roep me niet’ wordt in de volgende regel uitgelegd door: ‘ik ben vergeten hoe ik heet.’ Met andere woorden: na zijn dood is ‘ik’ niet meer in staat om zich wat dan ook te herinneren, zo ook niet zijn eigen naam. Het roepen is een directieve taalhandeling maar met de dood verliest het zijn zeggingskracht: de dode zal niet komen, luisteren of antwoord geven. Er is een bijna onzichtbare, tekstuele overgang van leven naar dood.

In de tweede strofe wordt de zoon weer aangesproken door zijn vader: aan welke eigenschappen zou de achtergebleven zoon moeten denken. Dit zijn: ‘hoe dwars ik was/hoe tuk op taal en hoe onzeker/en dat ik van je hield met huid en ziel’. De eerste eigenschap is het dwarszijn. Een dwars iemand is koppig, moeilijk in de dagelijkse omgang. Toch kan het ook geassocieerd worden met verzet, niet alles kritiekloos accepteren, opkomen voor de eigen overtuiging. Die associatie is in dit geval meer dan terecht: Willem Barnard weigerde namelijk de zogenaamde loyaliteitsverklaring te tekenen. De loyaliteitsverklaring, ingevoerd door de Duitse bezetter op 13 maart 1943 dwong alle studenten van Nederlandse universiteiten om te beloven dat ze geen handeling tegen het Duitse Rijk zouden verrichten. Omdat Willem Barnard deze verklaring niet tekende, werd hij in datzelfde jaar nog naar Duitsland gevoerd om in Berlijn in het kader van de Arbeitseinsatz tewerkgesteld te worden. Wanneer het lyrisch ik de achtergeblevene waarschuwt om aan zijn dwarszijn te denken, is dit een ambivalente oproep: hij was een moeilijk mens maar in sommige gevallen is het een morele plicht om moeilijk te zijn. De tweede eigenschap – ‘hoe tuk op taal’ (ik was – J.G.) – betreft de literaire bezigheid en het predikantschap van het lyrisch ik. Beide beroepen zijn talige beroepen bij uitstek. Dat deze voorliefde voor taal op het dwarszijn volgt, is niet voor niets. Deze elementen hangen nauw met elkaar samen.  Ethiek en literatuur zijn voor het lyrisch ik onscheidbaar. De derde eigenschap waaraan de zoon zou moeten denken, is de onzekerheid van de vader. Onzekerheid ondermijnt het monument dat de vader zojuist van zichzelf heeft opgericht. Het impliceert de menselijke dimensies, de moeilijkheid en de onvanzelfsprekendheid om authentiek, integer en dichter te zijn. Hiermee maakt de vader het volgen van zijn voorbeeld een stuk makkelijker voor de zoon. De volgende regel overstijgt alle vorige eigenschappen: ‘en dat ik van je hield met huid en ziel’. De onvoltooid verleden tijd van ‘zijn’ en ‘houden’ na de oproep in het heden bewerkstelligt weer een amper merkbare verschuiving van leven naar dood. In ‘Met huid en ziel’ wordt een poëtisch effect bereikt door de combinatie van twee verschillende standaarduitdrukkingen. De lezer verwacht ‘Met huid en haar’ of ‘Met hart en ziel’. Maar hiervan wordt welbewust afgeweken. In beide uitdrukkingen gaat het er om ‘geheel en al’ tot uitdrukking te brengen. Huid staat heel mooi op de plaats van hart en ziel neemt de plaats van haar in. De dichter kiest nu niet de verbinding hart en haar, maar hij schrijft ‘huid en ziel’. Zo worden lichaam en geest, corpus en spiritus met elkaar verbonden. De voelbaarheid van liefde – strelen van het haar en aanraking – gaat gelijk op met het spirituele karakter van de ouderliefde.

De laatste twee apart gedrukte regels herhalen de waarschuwing uit de eerste strofe: ‘maar roep me niet, lief, roep me niet’ en het argument waarom het zinloos is: ‘Ik ben vergeten hoe ik heet.’

De bijna overdreven herhaling van dezelfde elementen – denk, naam, vergeten hoe ik heet, roep mij niet – maken het gedicht tot een echt lied. De afwisselende trocheeën en jamben zorgen voor de juiste melodie.

Het mooie van de voorlaatste regel is de vocativus lief tussen het tweemaal ‘roep me niet’ in. ’Roep me niet’ is een krachtige waarschuwing aan de aangesprokene. Alsof het lyrisch ik zeggen wil: laat liever een bladzijde in je dagboek leeg, het is een betere troost. De band tussen ons, dode en achtergeblevene, is immers van hogere orde.