Voor het Frans

Door Marc van Oostendorp

Alweer een schrikwekkend bericht in de krant: nu de Leidse hoogleraar Paul Smith afzwaait, blijft er in Nederland nog maar één hoogleraar Franse letterkunde over, mijn Nijmeegse collega Alicia Montoya.

Dat maakt me een klein beetje trots op Nijmegen, als een oase in de dorre culturele woestenij. Maar het maakt me zeer beschaamd over Nederland – een woestijn waar men nog steeds water uit weet weg te pompen.

Er is geen enkele andere cultuur zo belangrijk voor de onze als de Franse. Dat is al zo sinds de middeleeuwen, met uitzondering, misschien van de laatste paar decennia. De Nederlandse taal is sinds mensenheugenis gevormd door contact met het Frans – niet alleen in de woordenschat, maar in allerlei aspecten van de grammatica. En dat geldt ook voor grote delen van onze cultuur. Ja, ook Duitsland en Engeland zijn buren geweest, maar geen van beide zijn zo langdurig zo’n grote magneet geweest op onze taal en cultuur als de Franse.

Als Nederland een beschaafd land zou er alleen al bij iedere universitaire afdeling Nederlandse Taal en Cultuur een eigen hoogleraar Franse literatuur in de Lage Landen zijn.

En sowieso lijkt me de Franse literatuur zo’n beetje de belangrijkste literaire traditie van Europa, of in ieder geval van het Europa van na de oudheid. Het Frans domineerde als de literaire taal in de middeleeuwen. Het was de taal waarvan de in Italië geboren Renaissance zich over de rest van Europa verspreidde en de taal waarin ook de betere kringen in Nederland tot diep in de twintigste eeuw bleven converseren. De taal van Chrétien de Troyes, Villon, Ronsard, Molière, Corneille, Racine, Voltaire, Diderot, Stendhal, Flaubert, Balzac, Hugo, Zola, Éluard, Sand, Proust, Camus, Sartre, Beckett, Queneau, Tournier, Houellebecq.

Ik schrijf de namen maar even op, want zo dadelijk kent niemand ze meer.

Er wordt soms met grote zorgen gesproken over de ‘verengelsing’ van de universiteiten, maar het toevoegen van een extra taal heeft nog nooit iemand kwaad gedaan. Er zijn bovendien weinig tekenen dat het Nederlands door die verengelsing nu zo vreselijk bedreigd wordt. Veel groter is de dreiging voor onze kennis van ándere vreemde talen dan het Engels: het misverstand dat je de hele wereld in die taal kunt begrijpen, dat in die taal ook wel alles vertaald is, dat we geen rechtstreeks contact hoeven hebben met onze naaste buren. Dat je er ‘niks aan hebt’ om de meesterwerken van een naburige cultuur te begrijpen.

“Ach, had Napoleon maar gewonnen”, verzuchtte Rudy Kousbroek in 1977, “dan spraken we nu allemaal Frans en was elke bibliotheek een Franse Bibliotheek.” Maar het Waterloo van het Frans duurt voort.

Dit stuk verscheen vrijdag in een sterk bekorte versie (als ‘brief‘) in de NRC.