Van Joujou naar Jojo

Afbeelding. Wikipedia

Door Renaat Gaspar

In de Doesburgse brievencollectie, (hier te raadplegen, onder nummer 45-473), bevindt zich een brief  d.d. 2 april 1791 van een zekere H.J.C., gericht aan ds. G. Spyker in Kedichem. Daarin doet de schrijver verslag van zijn bezoek aan enkele protestantse vrienden, o.m. in Gorkum en Waddinxveen.

Interessant is het middengedeelte van zijn brief, waarin hij het optreden beschrijft van volwassen Haagse heren die thuis, op straat en in openbare gelegenheden met een jojo spelen en aldus door hun medemensen beschouwd werden als ‘incroyables’. 

Ook het WNT s.v. JOUJOU maakt melding van hun verschijnen in het openbaar, maar de briefschrijver noemt enkele bijzonderheden over hun activiteit die niet of nauwelijks bekend zijn gebleven. Met name zijn dat de herkomst van dit jojoën en de duur ervan. Ook zinspeelt de schrijver op een verband met de maatschappelijke toestand. Die achtergrond was, kort gezegd, het conflict dat Nederland in die jaren heftig en grondig verdeeld hield: de gewapende strijd tussen prinsgezinden en patriotten. Die had geresulteerd in de beruchte aanhouding van prinses Wilhelmina bij Goejanverwellesluis, de daarop volgende inval van de Pruisen en de vlucht van duizenden patriotten naar het buitenland, uiteindelijk naar Frankrijk. Daar vestigden zij zich vooral in Frans-Vlaanderen, met name in St. Omaars, Béthune, Grevelingen, Duinkerke, Broekburg en Rijsel. [Rosendaal, 171]. 

Het brieffragment over deze hoogst merkwaardige Hollandse rage in 1791 luidt als volgt.

Op de bevestiging* van Meyboom door Haak is een pasquil* gecollecteerd in ’t armzakjen dat vry raak is; het is agter eene satire op de jou jou’s* gevoegt. Gy weet dat men thans met die dingen opentlyk loopt en zelfs op plaatzen in Den Haag koomt daar Pallas* de hoofdrol moest spelen, dog men ziet in haar plaats, en niet nevens haar, wel eens een uil* verschynen. 

De jou jou is een ronde schyf, in de midden zo ver ingesneeden dat de dikte van een pypsteeltjen blyft zitten. Hier is een koordjen aan vast. Dit neemt men in de hand en weet dit zo te behandelen, dat de schyf tegen het koortjen op en afloopt, even als men by ons een schyf van lood* trekt die geraas maakt, of een snorreschyf.* Men zegt, het is uit Engeland gekomen; de King* heeft er mee gespeeld toen hy mal was.

Hier meede hebben fatzoenlyke luy by de weg gelopen en elkaar gegroet; nu is ’t wat aan ’t bedaren. De jongens lopen er al mee,* of met een ratel raasen zy als zy een jou jou zien. Zou men wel kunnen geloven dat menschen met een sogen[aamd] gezond verstand zulke gekke, satans gekke dingen konden doen? En evenswel siet men het gebeuren. Dan*, gekken daar gelaten, nog een woord van myne reis.

Bevestiging: Namelijk in het kerkelijk ambt.
Pasquil: Schotschrift.
Jou jou’s: Dit is de oorspronkelijke benaming van de jojo’s. Joujou is het Franse kinderwoord voor jouet, ‘speelgoed’, dus ‘speeltje’.
Pallas: De wijsheid.
Eenuil: Meestal als attribuutvan Pallas Athena afgebeeld; maar hier, als zelfstandig symbool: het onverstand.
Eenschyfvanlood: Dit is een ronde, ietwat sferische slijpsteen, bekleed met leer dat rondom op zijn plaats wordt gehouden door een loden ring. Bij het slijpen van een mes, als de leren bekleding van de slijpsteen over het lemmet heen en weer wordt gehaald,  klinkt een licht zoevend geluid (zie WNT VIII, kol. 2719).
Eensnorreschyf: Een klos garen met een prismavormige as (zie WNT XIV, kol. 607, sub p).
DeKing: Bedoeld is George III (r. 1760 – 1820), die leed aan vlagen van verstandsverbijstering.
De jongens lopen er al mee: Bedoeld is, dat zij een volwassene met zijn jojo achterna lopen.
Dan: Maar.

Om een en ander goed naar waarde te kunnen schatten, volgt nu eerst het lemma, dat A. Beets in 1926 schreef over  de jojo (WNT dl. VII, kol. 447). Daarna is een passage gewijd aan de  herkomst van de jojo-rage in 1791 en van de naam ‘jou jou de Normandie’.

Dan volgt een vergelijking van de brief met het WNT-lemma en met het artikel ‘Leve de JoJo. Een burleske ode plm. 1790’, dat A.J. Hanou in Spectator, jrg. 14, p. 81 e.v. geschreven heeft inzake de periodisering van deze rage. Vervolgens een poging tot duiding van een hoogst merkwaardige Hollandse rage in 1791.

En ten slotte een korte beschouwing over het mogelijke verband tussen het Franse joujou en het VS-Engels yo-yo.

TIJDVERDRIJF VAN SMAAK OF JOUJOU DE NORMANDIE 1791
Bron: Atlas van Stolk, nr. 564

In WNT VII, kol. 447, s.v. JOUJOU lezen we het volgende.

JOUJOU, znw. M. Het Fransche woord joujou, eigenlijk een stuk kinderspeelgoed in het algemeen. Bij ons bekend als de naam van een voorwerp, waarmede, bepaaldelijk in het laatste deel van de 18de eeuw, ook volwassenen (de incroyables e.a.) zich vermaakten: een gegleufde schijf die men, door zekere handbeweging, langs een zich af- en opwindend koord, op en neer laat rollen.║ Elk grijpt naar een  choux-choux – en hij, die ’t spel bemindt, Doet straks der vinding hulde, en wordt met smaak een kind! Kabinet van Mode en Smaak I (ao 1791), 155 (in eene noot: Een werktuigjen, dat men in de hand houdt, om op straat, in huis, schouwburgen en concerten te kunnen speelen). Ik wil…eischt dit uw welbehaagen (tot de Mode), Voor knoopen aan mijn rok uw edle Jou-Jou’s draagen, I, 227 (tegenover eene afbeelding van een “Jou Jou de Normandie”). Uitmuntenden in Nederland! Naamt ge onlangs uw Jou-Jou ter hand, Om ’t edelst spel te leeren; Reeds enz., I, 448)

Vergelijking van de brief met het artikel in het WNT

  • De beschrijving van de jojo en van het jojoën in de brief is veel nauwkeuriger dan die in het WNT
    Vergelijk de sobere definitie in het WNT: ‘Een gegleufde schijf die men, door zekere handbeweging, langs een zich af- en opwindend koord, op en neer laat rollen’ met de duidelijke kenschets in de brief van een tijdgenoot: ‘De jou jou is een ronde schyf, in de midden zo ver ingesneeden dat de dikte van een pypsteeltjen blyft zitten. Hier is een koordjen aan vast. Dit neemt men in de hand en weet dit zo te behandelen, dat de schyf tegen het koortjen op en afloopt, even als men by ons een schyf van lood trekt die geraas maakt, of een snorreschyf.’
  • De brief toont – duidelijker dan het WNT-artikel – aan dat dit vertoon van volwassenen met een jojo algemeen als ongelooflijk dwaas werd gezien. Vergelijk de sobere term incroyables (WNT) met het oordeel van een ooggetuige: ‘Zou men wel kunnen geloven dat menschen met een sogen[aamd] gezond verstand zulke gekke, satans gekke dingen konden doen?’ Zie ook de term ‘gekken’ in de daaropvolgende zin.
  • De brief toont aan dat dit gebruik zich het opvallendst liet waarnemen in Den Haag, meer nog: in of dicht bij het ‘regeringscentrum’ in die plaats: ‘Gy weet dat men thans met die dingen opentlyk loopt en zelfs op plaatzen in Den Haag koomt daar Pallas de hoofdrol moest spelen’.
  • Eveneens valt uit de brief op te maken, dat zo een jojo over het algemeen (meer in het bijzonder op het platteland, in Kedichem bijvoorbeeld) een nog onbekend voorwerp was.
  • De brief laat zien dat jojo in die tijd als jou jou werd geschreven: ‘het is agter eene satire op de jou jou’s gevoegt’. Terecht herleidde het WNT het woord jou jou als volgt:  ‘Het Fransche woord joujou, eigenlijk een stuk kinderspeelgoed in het algemeen’. In die ruime betekenis (‘jouet d’enfant’) is jou jou volgens Le Trésor de la langue française  s.v. JOUJOU het eerst geattesteerd in 1721. De specifieke betekenis ‘klimtol’ (in Nederland) is van latere datum. Dus niet in het Frans: de klimtol heeft daar nooit ‘joujou’ geheten.

Herkomst van de jojo-rage in 1791 en van de naam ‘jou jou de Normandie’

Dat het spelen met een klimtol eveneens uit Frankrijk afkomstig is, valt er echter uit de Franse benaming ‘Jou jou de Normandie’ niet uit af te leiden. De klimtol schijnt pas na 1800 in Frankrijk te zijn binnengekomen, meegebracht door teruggekeerde émigrés. Dus negen jaar nadat het spel in Nederland (Den Haag) beoefend werd.

In Frankrijk stond het bekend als émigrette of als jeu de Coblence. (Coblence moet worden opgevat als metafoor:het leven in Koblenz, waar de eerste émigrés neerstreken, werd gekenmerkt door verregaande lichtzinnigheid.) De benaming ‘Jou jou de Normandie’  schijnt pas in 1888 opgedoken te zijn in A. Racinet, Le costume historique. 

Het jojoën is dus niét uit Frankrijk overgewaaid naar Nederland. Het is inderdaad Engeland, vanwaar de ‘bandalore’ – zoals hij daar genoemd werd – in Nederland is gearriveerd. Hier heette het speeltje ‘Jou jou de Normandie’. Duidelijk staat in de bovenstaande brief van 2 april 1791:Men zegt, het is uit Engeland gekomen; de King heeft er mee gespeeld toen hy mal was.’ En expliciet vermeldt in een advertentie in de Leydsche courant van 8 april 1791: ‘Les Jou jou de Normandie, een Spel van smaak in Engeland, thans door de Nederlanders naagevolgd (…)’ 

Daarmee blijft de benaming jou jou de Normandie enigszins raadselachtig. Ze lijkt dan wel in Nederland haar oorsprong te hebben, maar waarom juist déze Franse benaming hier in zwang is gekomen blijft onzeker. Elke verklaring zal moeilijk met een sluitend bewijs onderbouwd kunnen worden. Maar de volgende is niet onwaarschijnlijk.

Enerzijds wellicht is de Franse naam jou jou de Normandie in Nederland bedacht onder invloed van de verregaande verfransing die onze taal toen onderging, anderzijds is de nadere bepaling de Normandie mogelijk een verwijzing naar de volwassen spelers met de klimtol: de patriotten, van wie inmiddels verscheidene waren teruggekeerd uit ballingschap [Rosendaal, 142].  Want het was beslist niet zo, dat de patriottenbeweging haar einde gevonden had bij de mislukte revolutie van 1787. ‘De revolutionaire beweging leefde voort in de achterkamers van de Republiek en werd gevoed door de vluchtelingen in hun ballingschap’ [Rosendaal, 54]. Meer nog: geïnspireerd door de herinnering aan de recente ballingschap, uitte zij zich in het openbaar op straten, pleinen, in schouwburgen en concertzalen. Naar het mij voorkomt op de volgende wijze.

De patriotten hadden zich in Frankrijk (na enige strubbelingen) voornamelijk gevestigd in Frans-Vlaanderen: in St. Omaars, Béthune, Grevelingen, Duinkerke, Broekburg en Rijsel. [Rosendaal, 171.] Ongetwijfeld hebben zij daar een spel met houten schijven – zo’n schijf was dus een ‘jou jou’ – zien spelen, het zogeheten ‘Bourle’. Dat kan de associatie met de klimtol-schijf verklaren. Dat de naam niettemin ‘de Normandie’ en niet bijvoorbeeld ‘de Picardie’ is, vindt wellicht zijn oorsprong in de uiterst welwillende houding van de de Franse minister Montmorin, die in 1788 nabij Cherbourg (dus in Normandië) aan de patriotten een groot gebied wilde afstaan waar zij een zekere mate van autonomie zouden kunnen krijgen. Ook de koning had zijn fiat aan dit plan gegeven. Dat het plan – zo gunstig voor de vluchtelingen – uiteindelijk niet doorging, was uitsluitend te wijten aan onderling gekrakeel bij de patriotten. [Rosendaal, 107-108.] Maar hoe dan ook, ‘Normandië’ heeft wellicht in 1791 bij veel inmiddels teruggekeerde ballingen positieve gedachten opgeroepen.

Het Bourle-spel.
Bron: Wikipédia français.

Nadere datering van deze rage in Nederland

Tot nu toe bleef de exacte tijdsaanduiding ietwat hachelijk.

Vele jaren nadien immers – maar een vergissing is dus heel wel mogelijk – noteerde Frederik Muller, Beredeneerde beschrijving… p. 178: ‘Hierbij de Jou jou die in 1790 werd uitgevonden en in de mode was’. Hoelang de rage duurde, vermeldde hij echter niet. Hanou noemt (p. 90) als mogelijk vroegste jaar dat de jojo in het straatbeeld verscheen: 1787, maar twijfelt aan de betrouwbaarheid van zijn bron terzake, Jacob van Lennep. Ook het fragment, waarin Multatuli in Woutertje Pieterse een romanfiguur laat vertellen over een jojo waarmee gespeeld werd tijdens het bezoek van Napoleon aan Amsterdam (oktober 1811), is voor hem niet overtuigend, maar – zegt hij – de passage bewijst wel dat de jojo ‘langer populair is geweest dan één of twee jaren’ (p. 86). Hij onderscheidt immers twee periodes in de populariteit van de jojo. ‘Uit deze passages [in Woutertje Pieterse] blijkt duidelijk dat voor Multatuli de jojo, kort na 1800, een speelgoedje was voor volwassenen (…)’ En even verderop: ‘Want rond 1790-1791 schijnt de jojo al een rage te zijn geweest – voor volwassenen.’ 

De datering van de jojo-rage, bij Hanou dus nog enigszins onzeker, is in de brief veel duidelijker: de eerste helft van 1791. Misschien reeds begin eind 1790, maar in ieder geval veel korter van duur dan ‘het laatste deel van de 18de eeuw’ zoals het WNT vermeldt. Vergelijk de datering van de bovenvermelde brief, 2 april 1791, met de zinsnede daarin: ‘nu is ’t wat aan ’t bedaren’. Dat met elkaar combinerend mag je stellen: deze rage heeft zich beperkt tot de eerste helft van 1791.

Dat blijkt ook uit een andere bron: de krantensite Delpher. In de maanden maart, april en mei van 1791 verschijnen niet minder dan zes advertenties over de Joujou. Ze waren verschenen:

  1. In de Oprechte Haerlemsche courant d.d. 24 maart (‘Ode aan de Joujou de Normandie, Speelgoed van smaak, maar niet voor kinderen’). 
  2. In de Rotterdamsche courant op dezelfde dag diezelfde advertentie 
  3. In de Oprechte Haerlemsche courant d.d. 5 april (‘Een naauwkeurige Afbeelding van het tydverdryf van Smaak of Joujou de Normandie, in onderscheiden Vertooningen…’)
  4. In de Leydsche courant d.d. 8 april (‘Les Joujou de Normandie, een Spel van smaak in Engeland, thans door de Nederlanders naagevolgd en ten hoogste goedgekeurd, deszelfs oorsprong en benaming ontdekt, en de nuttigheid en noodzaaklykheid daar van aangetoond’)
  5. [Daaronder:] ‘Jou Jou de Normandie of Arlequyn Kraamer, Klugtspel, met zang, is alom te bekomen à 6 Stuiv.’
  6. In de Oprechte Haerlemsche courant d.d. 17 mei staat een aankondiging van ‘Het klugtspel “De Joujou-schryver bedroogen” ’

In de maanden (en jaren) daarna niets meer daarover. De belangstelling is voorbij. De jojo is geschiedenis geworden. Dat blijkt ten overvloede uit een annonce in de Amsterdamse courant van 27 én van 31 december 1791: de Staats Almanach bevat o.m. het artikeltje ‘Historie der Joujou, met een Afbeelding van het gebruik derzelve’. Vermoedelijk hetzelfde geschrift is de Almanach de Jou-Jou, dat voor het jaar 1792 geboekstaafd staat, waarin onder meer deze – inmiddels ietwat nostalgisch geworden – platen afgebeeld waren:

Bron: Almanach de Jou-Jou

Het was een laatste stuiptrekking; de rage was geschiedenis geworden, en van een tweede rage door volwassen spelers ‘kort na 1800’ (Hanou, p. 86) is geen sprake. Het jojoën werd na 1791 een spel van kinderen, en dan nog slechts gedurende enkele decennia, niet langer. Kramers’ Algemeene Kunstwoordentolk (1847) verwoordt het aldus s.v. Joujou: ‘een speeltuig, kinderspel; inz. Het voor eenige jaren zoo geliefde speelgoed, bestaande in eene houten schijf, die door een snoer uit en in de hand werd gelaten, het op- en afrol spel’. 

Een poging tot verklaring van de jojo-rage

Rages op het gebied van speelgoed zijn er de laatste eeuwen wel meer geweest: bijvoorbeeld de diabolo (ca. 1900), de hoelahoep (ca. 1960), de flippo’s (ca. 1996) en de (digitale) jacht op Pokémons (ca. 2016). Allemaal zonder enige ideologische bijbedoeling beoefend. Voor een uitgebreide lijst van alle mogelijke rages, ook op andere terreinen dan het speelgoedgebied, zie Wikpedia. 

Daarnaast zijn er – vooral de laatste decennia – ook rages die een bepaalde boodschap willen uitdragen: een oranje polsbandje vóór ondersteuning van de nationale ploeg, een regenboogbandje tegen gender- of rassendiscriminatie, een tatoeage vóór een geliefd of aanbeden object (Ajax forever! Kevin! Anita!), een piercing tegen burgermansnormen. Rages komen en gaan, voor plezier of boodschap.

In de Haagse jojo-rage van 1791 zijn denkelijk beide mogelijkheden aanwezig. Enige lol aan hun ‘manipulaties’ hebben zij allicht óók gehad, maar die Haagse heren kunnen met hun jojo-rage mede een boodschap hebben willen uitdragen. Welke was die dan? Was die boodschap eenduidig, of werden tegelijkertijd meer intenties geuit? Er zijn eigenlijk geen feitelijkheden voorhanden die een duidelijk inzicht in het optreden van eeuwen geleden kunnen bieden. Meer dan enkele suggesties zijn niet te geven. Hier zijn ze.

  • Wilden deze Haagse heren misschien de herinnering aan de ballingschap van hun geestverwanten, de patriotten, levendig houden?
  • Wilden zij een soort ‘groeps-solidariteit’ tonen?
  • Hebben zij misschien, uitgerangeerd als zij waren, hun gedwongen nietsdoen nadrukkelijk willen tonen in de buurt van het machtcentrum?
  • Of hebben zij wellicht, door zo openlijk met dit speelgoed de dwaasheid van de Engelse koning George III te imiteren, het stadhouderlijk hof willen bespotten? Stadhouder Willem V was immers een volle neef van George III.
  • Of toch niets van dit alles? Was het enkel in de juiste zin des woords een rage, een bevlieging, ongemotiveerd en zonder zin of slot: de zotheid gekroond en de ezel speelt schalmei?

De etymologie van het woord jojo

Ongetwijfeld is jou jou hier te lande op zijn Frans uitgesproken, maar evenzeer zal een ‘volkse’, vernederlandste uitspraak (rijmend op ‘nou nou’ ofwel op ‘dooedooe’) in die tijd vernomen zijn. Wanneer het nu gaat om de etymologie van jojo te verklaren, is die mogelijk vernederlandste uitspraak jou jou  van belang. ‘Yo-yo’ hoeft niet van onbekende oorsprong te zijn zoals de twee onderstaande lemma’s zeggen.

In Le Trésor de la langue Française s.v. Yoyo of Yo-yo heet het immers: 

Étymol. et Hist. 1931 yo-yo (…) Origine obscure; peut-être issu d’une langue des îles Philippines (groupe malayo-polynésien), d’où le jeu semble originaire, par l’intermédiaire de l’anglo-américain yo-yo, appellation qui fit l’objet d’un brevet déposé aux États-Unis dès 1915 (Philippine Craftsman, déc., 364 ds NED Suppl.2cf. la mention d’un brevet du jeu de yo-yo déposé en 1932 à Vancouver, Canada, ibid.).

In de Online Etymology Dictionary staat:

yo-yo (n.)1915, apparently from a language of the Philippines. Registered as a trademark in Vancouver, Canada, in 1932, the year the first craze for them began (subsequent fads 1950s, 1970s, 1998). The toy itself is much older and was earlier known as bandalore (1802), a word of obscure origin, “but it was from American contact in the Philippines that the first commercial development was established” [Century Dictionary]. Figurative sense of any “up-and-down movement” is first recorded 1932. Meaning “stupid person” is recorded from 1970. The verb in the figurative sense is attested from 1967.

Deze verklaringen kunnen wellicht worden aangevuld en gewijzigd aan de hand van de spelling en de uitspraak van de [j] waardoor  een rechtstreeks verband kan worden aangetoond tussen jou jou en yo-yo. Met alle voorbehoud uiteraard!

‘Joujou’ zou in het Engels  uitgesproken zijn als /dzjoooe dzjoooe/, met [ʤ] zoals in ‘jazz’, maar de vernederlandste uitspraak /joowoe joowoe/ met [j] moést wel gespeld worden als ‘yo yo’, met een i-grec. Evenals woorden als ‘yacht’ (jacht), ‘yawl’ (jol) en ‘Yankee’ (Jan Kees) zal ‘joujou’ (uitgesproken als /joowoe joowoe/) vanuit Holland overgestoken zijn naar Noord-Amerika en Canada. Wellicht pas in de tweede helft van de negentiende eeuw met immigranten uit Nederland. En in de twintigste eeuw tijdens de rage in het najaar van 1932 is het speelgoed als  ‘yo-yo’ naar Frankrijk en Engeland, en als ‘jojo’ teruggekeerd naar hier.

Over die 20e-eeuwse rage berichtten onder meer De Haagsche Courant van 24 september 1932 (‘Het “moderne” Jo-jo spel’), Het Vaderland van 4 oktober 1932 (‘Zijlichtjes’) en De Sumatra-post van 4 november 1932 (‘Ook Medan besmet’). 

Ter afsluiting van dit speelse onderwerp: in het Leeuwarder Nieuwsblad van 1 oktober 1932 staat verhaald hoe de fabrikant aanvankelijk veel moeite had om het houten schijfje aan de man te brengen. Pas toen bleek, dat men in Frankrijk hartstochtelijk de jojo hanteerde, kwam hier in Nederland de verkoop goed op gang: de aantallen zouden naar verwachting weldra in de miljoenen lopen.

Aangehaalde literatuur

Hanou, A.J., ‘Leve de JoJo. Een burleske ode plm. 1790’ in Spectator, jrg. 14 (1984-1985), p. 81 e.v.

Muller, Frederik, Beredeneerde beschrijving van Nederlandsche historieplaten, zinneprenten en historische kaarten. Amsterdam: Frederik Muller 1863-1877.

Rosendaal, Joost, Bataven! Nederlandse vluchtelingen in Frankrijk 1787-1795. Nijmegen: Vantilt 2003.