Wonen in de Nederlandse taal

Wonen in gedichten (5)

Door Judit Gera
Dit gedicht is geschikt voor gevorderde studenten
en hoort bij de categorie Migranten,

In de serie Wonen in gedichten bespreekt Judit Gera, hoogleraar in Boedapest, gedichten uit de Nederlandstalige literatuur, ten behoeve van het onderwijs in de Neerlandistiek extra muros. (buiten het taalgebied. Vandaag: ‘Merwedeplein’, van Abdelkader Benali (1975).

Merwedeplein

loop ik
een Japanse pelgrim die niet weet
niet weet wat hij mist niet weet wat
hij zoekt niet weet wat hij gaat vinden niet weet
wat hij weet niet weet wat hij doet niet weet wat hij
voelt niet weet wat hij denkt niet weet wat hij
onder de wolken zonder paraplu
want de pelgrim is een beetje dom op pad gegaan
naar het Merwedeplein waar een meisje gelukkig
was
geluk is samenvallen met je leeftijd
een kind onder de kinderen zijn en van het gemis
niets weten draait de pelgrim zich om want het regent
nu wel heel erg hard en de regen doet wat hij niet
moet doen steeds harder eigenlijk op deze miezerige
dag waar alleen maar heel verveelde mensen verdwaalde
mensen eenzame mensen en geesten naar buiten gaan

Abdelkader Benali; Uit: Wax Hollandais 2017

Abdelkader Benali is een Marokkaans-Nederlandse schrijver geboren in 1975 in Ighazazzan (Marokko). Op vierjarige leeftijd kwam hij met zijn ouders naar Nederland. Hij is daar schrijver geworden en won vele literaire prijzen. Hij schrijft romans, gedichten, toneel en artikelen voor kranten en tijdschriften.  Daarnaast werkt hij als televisiepresentator.  

Zijn belangrijkste thema is de ontmoeting en vermenging van culturen. In 2002 verzette hij zich  tegen literaire kritiek die literatuur aan de herkomst van de schrijver koppelt. Literatuur – autonoom als het moet zijn – zou immers uitsluitend op esthetische merites beoordeeld moeten worden, aldus Benali. Nu, onder invloed van de steeds prominentere aanwezigheid van migranten in Europa sinds 2015 en de gevolgen van de radicaal afwerende reactie van bepaalde Europese landen daarop, is de situatie  in vergelijking met 2002 grondig veranderd. Als gevolg daarvan betekent het woord migrantenliteratuur niet meer hetzelfde als achttien jaar geleden. Benali verblijft sinds enkele jaren afwisselend een half jaar in Tanger en een half jaar in Amsterdam. In zijn boek Brief aan mijn dochter (2016) schetst hij de maatschappij waarin hij graag zijn dochter zou zien opgroeien. Hij is een politiek betrokken mens, een gerespecteerd auteur en een publieke persoonlijkheid in Nederland.

De titel Merwedeplein is in de Nederlandse context een eenduidige verwijzing naar Anne Frank. Het meisje, geboren in 1929 in Frankfurt am Main, woonde van 1934 tot 1942 met haar familie op nummer 37 van dit plein. Op 6 juli 1942 verhuisden zij naar hun onderduikadres op de Prinsengracht 263, het Achterhuis. Het voormalige appartement van de familie Frank op het Merwedeplein werd na de oorlog gerestaureerd en ingericht in de jaren 30-stijl en kreeg als  bestemming een onderkomen voor buitenlandse schrijvers die in hun eigen land niet vrij kunnen werken. Op het plein staat een standbeeld van Anne Frank gemaakt door beeldend kunstenaar Jet Schepp. 

Het gedicht heeft de vorm van een monoloog interieur. Het geeft een gedachtestroom weer. Er is geen interpunctie, waardoor de tekst een snel tempo heeft net als gedachten die soms zonder stoppen in onze hersenen elkaar afwisselen. De gedachten stromen door het hoofd van een ‘ik’ die op het plein aan het lopen is.

De eerste regel begint in medias res die door de omgekeerde woordvolgorde van een eenvoudige zin aangegeven wordt: ‘loop ik’. Omdat de zin noch een inleidend deel noch vervolg heeft, komt het over als een flard van een langere maar niet afgemaakte zin. Het ritme van het gedicht komt dan ook overeen met het ritme van dit lopen van het ‘ik’: de tekst ‘loopt’ eveneens hard, korte zinsdelen herhalen zich, maar alleen om de gedachten steeds weer op gang te krijgen. Ook de vele enjambementen creëren de indruk van het overvloeien van de gedachten.

De lopende ‘ik’ komt een ‘Japanse pelgrim’ tegen op het Merwedeplein: ‘loop ik/een Japanse pelgrim die niet weet/.  Een pelgrim is iemand die een (voet)reis maakt naar een heilige plaats. De Japanse toerist komt dus hoogstwaarschijnlijk ter wille van het eerste woonhuis van Anne Frank naar het Merwedeplein. Het staat vast en zeker in elke Japanse toeristengids als een van de bezienswaardigheden van Amsterdam. Na ‘loop ik’ echter ontbreekt het woord ‘tegen’. De lopende ‘ik’ komt de Japanse toerist niet echt tegen, veel eerder is er sprake van een mislopen: ze lopen elkaar voorbij. Alsof het lopen van het ‘ik’ het spreken verhindert; sommige woorden worden niet geuit, andere zinsdelen worden juist herhaald: ‘Die niet weet/niet weet/. Het zinsdeel ‘niet weet’ wordt in het eerste deel van het gedicht negen keer herhaald. Het lijdend voorwerp is telkens iets anders. De Japanse pelgrim weet niet ‘wat hij mist’, ‘wat hij zoekt’, ‘wat hij gaat vinden’, ‘wat hij weet’, ‘wat hij doet’, ‘wat hij voelt’, ‘wat hij denkt’. Het laatste element van deze reeks is niet voltooid: ‘niet weet wat hij onder de wolken zonder paraplu’. Net zoals ‘tegen’ ontbreekt hier een woord dat de lezer bijvoorbeeld met ‘moet beginnen’ kan invullen; dan wordt het: ‘wat hij onder de wolken zonder paraplu moet beginnen’.

De Japanse pelgrim is dus een antipode van een echte pelgrim die meestal wel weet wat hij zoekt,  zal vinden etc. De Japanse pelgrim handelt om redenen die buiten hem liggen: de toeristengids raadt het eerste woonhuis van Anne Frank in Amsterdam aan; dat moet dus bezocht worden, een item om aan te vinken. Niet vanwege empathie of een innerlijke overtuiging of diepe kennis van de geschiedenis. Het Merwedeplein is van buitenaf opgedrongen, een bezienswaardigheid voor toeristen, niet een plek waar een mens een ander mens uit het verleden werkelijk, authentiek, ontmoet. Het vertellende ‘ik’ geeft commentaar op deze handeling van de Japanse pelgrim: ‘want de pelgrim is een beetje dom op pad gegaan/naar het Merwedeplein waar een meisje gelukkig/was’. De Japanse pelgrim is ‘een beetje dom’ omdat hij geen rekening hield met het gure Nederlandse weer. Maar ook dom omdat hij zich niet echt bewust is van de waarde en het belang van zijn bezoek: het is een plek waar Anne Frank gelukkig was. Het werkwoord in onvoltooid verleden tijd ‘was’ snijdt het lichaam van het gedicht in tweeën, verscheurt het gedicht, net zoals een bom die levens verscheurde of zoals de Tweede Wereldoorlog het leven van Anne Frank verscheurde. Door de plaats van ‘was’ in het gedicht – het woord staat eenzaam in de stroom van een tekst en vomt zelf een versregel – krijgt het extra nadruk. Het geluk van het meisje blijft onherroepelijk verleden tijd. ‘Was’ dwingt het galopperende ritme tot even stoppen. Het impliceert ook dat dat geluk nooit meer terugkwam. Het herroept het moment van de oproep die Margot – de zus van Anne – op 5 juli 1942 kreeg en die het begin van hun twee jaar lange onderduikperiode betekende. Een kindertijd kwam tot een einde. De lege ruimte rond ‘was’ is het gemis zelf dat in het vervolg aan de orde komt.

Na ‘was’ komt een meer filosofische gedachtegang, de uitleg van wat geluk is: het is ‘samenvallen met je leeftijd/een kind onder de kinderen zijn en van het gemis niets weten/.  Anne Frank moest vanwege de Jodenvervolging van het ene moment op het andere volwassen worden. Ze mocht al eerder geen kind zijn onder de kinderen vanwege de segregatie van joodse kinderen van hun niet-joodse leeftijdgenoten. Kinderen weten in tijd van vrede en in een rechtvaardige maatschappij ook niets van het gemis: ze hebben waardevolle omstandigheden waarin ze zich kunnen ontplooien.

Na dit zeer korte intermezzo tussen ‘was’ en ‘niets weten’ keert de verteller terug naar de pelgrim. Het adjectief Japans wordt weggelaten: het begrip groeit uit tot een algemene modaliteit. De pelgrim ‘draait zich om’ vanwege de regen. Een klein ongemak is voldoende om je om te draaien, weg te lopen, niet te kijken. Net zoals tijdens de oorlog: het was veel te vervelend, veel te storend om te blijven kijken, blijven nadenken, voor je overtuiging op te komen. Ook een toerist wil niet koste wat kost zijn comfortzone verlaten. Het regent immers en het is een miezerige dag – net zoals in het gedicht November van J. C. Bloem uit 1931: ‘Het regent en het is November’ en De Dapperstraat uit 1945: ‘Verregend, op een miezerige morgen’. Deze intertekstuele verwijzing geeft aan dat Benali zich in de Nederlandse literatuur volledig thuis voelt, hij heeft het zich als het ware toegeëigend. Ook in andere gedichten van deze dichtbundel is dergelijke intertekstualiteit te ontdekken, zoals in Meisje waar ik ergens tussen de derde en de vierde strofe de geest van De Génestet meen te zien rondspoken.

Merwedeplein eindigt met de enumeratio van soorten mensen die dat soort weer toch trotseren: ‘verveelde mensen verdwaalde mensen eenzame mensen en geesten’ gaan wel naar buiten. Mensen die vanwege verveeldheid op zoek zijn naar iets wat hun leven werkelijk kan vullen, mensen die verdwaald zijn en het rechte pad zoeken dat hen thuis kan brengen, mensen die in plaats van eenzaamheid gezelschap, vriendschap en liefde zoeken. Mensen en geesten. Die dus in tegenstelling tot de Japanse pelgrim wel weten wat ze willen.

Dit gedicht is een bewust gebaar van culturele herinnering aan een tijd waarin mensen van alle leeftijden en nationaliteiten gedwongen werden om hun land van herkomst te verlaten. Een gebaar van iemand die meer dan zeventig jaar later ook zijn land van herkomst moest verlaten, zij het in totaal andere omstandigheden en om andere redenen dan Anne Frank en haar lotgenoten.

Het is een gebaar van solidariteit en tegelijk een waarschuwing. Massale dislocatie van mensen had en heeft altijd te maken met slavernij, hegemonie van een volk over het andere. Het is ook een ervaring die vaak met de term van Heidegger als ‘unheimlich’ wordt aangeduid. ‘Unheimlich’ of ‘unheimlichkeit’ betekent letterlijk ‘ont-huiselijkt’ of ‘niet-thuis-zijnde’. De migranten van vandaag hebben uiteraard andere beweegredenen om hun land te verlaten, maar de ‘unheimlichkeit’ is ook hun bekend. Dat ‘Unheimlichkeit’ door het schrijven van literatuur enigszins genezend kan werken, is een gemeenschappelijke ervaring van Abdelkader Benali en Anne Frank. De taal doet er niet toe, of juist wel. Het is voor beiden een onderkomen en op die manier ook een ‘thuis’.

Anne wilde na de oorlog Nederlander worden, maar haar is alleen het wonen in de Nederlandse taal beschoren. Vandaag lijkt Europa de Holocaust vergeten te zijn. Ook proberen extreem-rechtse politici het internationale karakter van de Holocaust te nationaliseren. Zonder het woord Holocaust of de naam Anne Frank te noemen, waarschuwt Benali tegen vergeten en luiheid om na te denken; tegen het pelgrim-zijn, met andere woorden tegen buitenstander blijven. Dat het soms noodzakelijk is om onze comfortzone te verlaten en de deuren open te gooien, om van pelgrim tot authentiek mens te worden opdat de geschiedenis zich niet herhaalt.

Illustratie (22x21cm): Robert Kruzdlo