Proza is geen poëzie

Door Marc van Oostendorp

“Horen wij, Monsieur, niet zorgvuldig alexandrijnen te vermijden als we proza schrijven?” vraagt een personage in Sartres roman Walging. Hij drukt daarmee een eigenaardig principe uit dat al duizenden jaren een rol lijkt te spelen in het literaire proza: dat een prozaschrijver nadrukkelijk probeert om géén poëtische middelen in te zetten. Goed proza heeft misschien een ritme, maar geen metrum.

Hexameters

De Romeinse retoricus Quintilianus gaf in de eerste eeuw al het advies dat we later in Walging zouden vinden: het is extreem lelijk om een hele metrische versregel in een prozatekst op te nemen en vooral aan het begin of het einde van een tekst moet je zelfs je best doen om zelfs maar een halve regel te laten klinken.

Uit voorlopig onderzoek blijkt dat Romeinse schrijvers zich die raad ter harte namen, schrijft een groep Amerikaanse taal- en letterkundigen in een artikel dat de beroemdste van hen (Paul Kiparsky) op zijn website plaatste. Wanneer je een aantal Romeinse prozateksten onder elkaar zet en je gaat vinden, tref je er slechts 137 fragmenten in aan die kunnen doorgaan voor hexameters, het metrum dat onder andere Vergilius en Ovidius gebruikten. Zet je de woorden in die teksten in een willekeurige andere volgorde, dan vind je ineens 199 hexameters – een teken dat schrijvers actief metriek vermeden.

Toeval

Kiparsky en de zijnen ondernamen zelf een ander, misschien nog wel spectaculairder onderzoek, naar de Engelstalige literatuur. Ze laten zien dat daarin drie perioden te onderscheiden zijn. Lange tijd, zo’n beetje tot de negentiende eeuw, vermeden prozaschrijvers als Daniel Defoe net als hun klassieke tegenhangers kennelijk vrij actief regelmatige afwisselingen van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen.

Maar in de negentiende eeuw gebeurde er iets. De poëzie werd minder streng metrisch, maar tegelijkertijd nam het proza, het over als de dominante literaire vorm: een groot schrijver schreef niet meer per se een epos of een tragedie, maar een roman. En wat blijkt? Een schrijver als Dickens gebruikt in zijn proza juist méér jambische pentameters dan je bij een willekeurige verdeling zou verwachten. Dickens’ proza is, volgens Kiparsky en de zijnen, antiantimetrisch.

En in de twintigste eeuw verandert er weer iets. De poëzie verliest grotendeels haar metriek en daardoor heeft het proza niets meer om zich tegen af te zetten. In werken van moderne auteurs vinden we niet meer of minder jamben dan je zou verwachten met een toevalsverdeling.

Rijmen

De auteurs gebruikten voor hun werk gedigitaliseerde teksten en software die in zulke teksten metrische patronen kan opsporen. Dat bestaat voor het Nederlands natuurlijk allemaal ook. Vinden we hier een soortgelijke tendens? Het zou interessant zijn om dat uit te zoeken.

Maar fascinerender is natuurlijk nog de achterliggende vraag: waarom moet je als prozaschrijver zo je best doen om geen poëtische middelen te gebruiken? Stijlgidsen noemen geloof ik ook regelmatig als taboe om woorden in elkaars buurt te zetten die op elkaar rijmen; mij lijkt dat ook een redelijk zinnig advies. Het leidt op de een of andere manier af. Maar waarom?

Afbeelding: oorspronkelijk omslag van David Copperfield. Bron: Smith College