Linguïstisch miniatuurtje CLXVIII: Wat staat er op een ontmoeting met Ad Foolen?

Door Peter-Arno Coppen

Ik schrijf bijna nooit meer een Linguïstisch Miniatuurtje, en ook op mijn weblog waaien de tumbleweeds door een lege tijdlijn. Niet dat de inspiratie op is, maar tegenwoordig probeer ik mijn taalobservaties te vangen in mijn taalrubriek in het dagblad Trouw. Als je drie van die afleveringen per week schrijft blijft er weinig tijd over voor andere media. Zo’n rubriek in de krant kan dan wel niet veel langer zijn dan 200 woorden, maar dat is meestal genoeg om de essentie van een kwestie te raken. Totdat ik gisteren in de supermarkt Ad Foolen tegenkwam. Ad is dan wel met pensioen, maar dat weerhoudt hem er niet van om in Utrecht in te vallen voor een collega bij Duits. Daar geeft hij een grammaticacollege, en van de week had hij een interessante kwestie met zijn studenten besproken, die hij me graag voorlegde. Daar heb ik meer dan 200 woorden voor nodig.

Het ging om de (traditionele) ontleding van de zin ‘Op die misdaad staat drie jaar gevangenisstraf’. En dan niet zozeer het getal van het werkwoord, maar om de benoeming van ‘op die misdaad’. Wat is dat voor een zinsdeel?

Ads eerste observatie was dat er iets conditioneels in de betekenis zit. Als je die misdaad pleegt, dan krijg je drie jaar gevangenisstraf. Daarmee zou de eerste gedachte zijn dat het hier om een bijwoordelijke bepaling gaat. Maar je kunt ‘op die misdaad’ niet weglaten, dus is het hier toch geen voorwerp bij het werkwoord? Natuurlijk, sommige bijwoordelijke bepalingen kun je ook niet weglaten. De plaatsbepaling bij ‘wonen’ bijvoorbeeld is alleen weglaatbaar in een apart geval als ‘Ik woon lekker’ of ‘Wij wonen klein’. Maar is dat op ook niet een vast voorzetsel? En zit er wel betekenis in dat voorzetsel? Je kunt er niet ‘boven op’ van maken, of op een andere manier het voorzetsel nader bepalen. En je kunt het ook niet door een synoniem vervangen (gesteld dat je zou kunnen verzinnen wat het betekent).

Jammer dat je van die bepaling geen bijzinsvariant kunt maken, constateerde ik nog (Ads partner was inmiddels met haar boodschappenwagentje verder gelopen). Je kunt immers niet iets zeggen als ‘Drie jaar gevangenisstraf staat erop dat je die misdaad pleegt’. Dat zou een doorslaggevend argument voor een voorzetselvoorwerp geweest zijn. Maar goed, aan de andere kant is die bijzinsvariant ook weer geen noodzakelijke voorwaarde voor die benoeming.

En waarom staat die bepaling altijd vooraan? merkte Ad op. Je kunt immers niet goed zeggen ‘Drie jaar gevangenisstraf staat op die misdaad.’ Dat is misschien niet echt fout, maar het is toch tamelijk gemarkeerd. Zo’n zinsinitiële positie heeft misschien een discourse-functie. Dat wijst dan toch weer in de richting van een soort bijwoordelijke bepaling van beperking: die gevangenisstraf geldt met name in dat beperkte geval.

We kwamen er in de supermarkt niet helemaal uit. We stonden de vakkenvullers in de weg, ik moest ook nog andere boodschappen doen, en Ads partner was al helemaal uit het zicht verdwenen. Maar op de fiets bedacht ik nog een gouden voorbeeld, dat wat mij betreft de zaak wel beslecht.

Achteraf denk ik dat Ad de spijker op zijn kop sloeg met de observatie dat het zinsdeel iets conditioneels had. Je kunt namelijk ook onderwerpen en lijdende voorwerpen hebben met iets conditioneels erin. In de bijzinsvariant krijg je dan niet een bijzin met dat maar met als.

Neem de zin ‘Het zou fijn zijn als je erbij bent’. In die zin is het het onderwerp, maar het verwijst duidelijk naar de conditie in de bijzin: Als je erbij bent, is het fijn dat je erbij bent. De constructie combineert daarmee een bijwoordelijke conditionele bijzin met een onderwerpszin. Van den Toorn noemt dit in zijn grammatica de ‘conditionele onderwerpszin’. Maak je van de bijzin een gewoon onderwerp, ‘Je aanwezigheid zou fijn zijn’, dan kun je in dat onderwerp nog steeds iets conditioneels voelen.

Het kan ook met een lijdend voorwerp, bijvoorbeeld in ‘Ik zou het waarderen als je erbij bent’. Ook hier heb je een sterk argument voor een voorlopig zinsdeel het (voorlopig lijdend voorwerp), en een conditionele lijdendvoorwerpszin ‘als je erbij bent’.

Maar dat lijkt me precies wat hier aan de hand is. Neem de voorbeeldzin ‘Op moord staat levenslang’. Daar kun je bij nader inzien best een zin met voorlopig voorzetselvoorwerp erop van maken. Alleen krijg je dan geen bijzin met dat, maar een met als: ‘Er staat levenslang op als je iemand vermoordt’. Conditionele voorzetselvoorwerpszin, zou ik zeggen.

Hiermee vallen er veel observaties op zijn plaats: het vaste, betekenisloze voorzetsel op (of vrijwel betekenisloos, die discussie lijkt me hier minder relevant), de conditionele betekenis, en de niet-weglaatbaarheid. Alleen die eerste zinsplaats is nog niet verklaard. Maar in die bijzinsvariant lijkt die ook wat minder strikt: ‘Vroeger stond er in Nederland nog levenslang op als je een moord pleegde’, bijvoorbeeld. En eigenlijk kan zo’n bepaling er in de oorspronkelijke zin ook nog best wel voor: ‘Vroeger stond op die misdaad drie jaar gevangenisstraf’. Misschien is het meer het feit dat het onderwerp onbepaald is dat ervoor zorgt dat je het liever verderop in de zin hebt.

Ik had eerlijk gezegd nog nooit een voorbeeld van een conditionele voorzetselvoorwerpszin gezien (van den Toorn noemt hem niet, en ook de ANS geeft alleen voorbeelden met onderwerp en lijdend voorwerp), maar nu ik me eenmaal realiseer dat hij kan bestaan is het ook weer niet zo heel moeilijk om andere voorbeelden te verzinnen: ‘Ik hou ervan als het regent’ bijvoorbeeld. Of ‘Ik heb er een hekel aan als ik zoiets pas op de fiets bedenk’.