Ik hartje boekhandelaren

Door Jos Joosten

Het Boekenweekessay van Özcan Akyol moet ik nog steeds lezen. Hoewel ‘moet’? Ik vraag me af of het eigenlijk nog nodig is: stilaan is in interviews, beschouwingen, recensies een veelvoud aan woorden aan Akyols boekje gewijd dan zijn tekst zelf telt. En je weet het intussen ook wel zo’n beetje, tot en met de grapjes. De eerste keer (bij DWDD) dat ik ‘Vroeger hadden schrijvers een oorlogstrauma, nu hebben ze allemaal lactose-intolerantie’ hoorde, dacht ik nog van harte hahahahaha! Met de weekendkranten op schoot, vroeg ik me steeds vaker af wanneer dat lactoseintolerantiegrapje weer zou komen.

Wat ik intussen nog steeds niet begrijp (misschien toch het essay maar eens lezen) is Akyols kruistocht tegen de boekhandelaar. Waarom zo boos? Ja omdat ze dus zogenaamd geborneerd zijn en een minachting aan den dag zouden leggen voor goedverkopende auteurs.

Maar ik vermoed toch, eerlijk gezegd, dat de brave Akyol zijn twee brave schelmenromans die met tienduizenden verkocht zijn niet hoogstpersoonlijk op zijn scootertje door het land in de brievenbussen van zijn lezers is gaan stoppen? Kennelijk voelden de nationale boekhandelaren, net zoals ze Lucinda Riley verkopen, zich niet te goed om deze middlebrow Ciske de Rat 2.0 gewoon boven de toonbank te verhandelen.

Los van het feit dat boekhandelaren middenstanders zijn die ook gewoon geld moeten verdienen (waar helemaal niks mis mee is), herken ik het beeld dat Akyol schetst ook verder niet.

Zodra ik een vreemde plaats kom, is zowat het eerste wat ik doe zoeken waar de boekhandel is. Steevast is dat een soort van thuiskomen. Of het nou Lovink in Lochem is, Raadgeep en Berrevoets in Doetinchem (waar ik de Tsjechische theoloog Thomas Halik ontdekte), de ReadShop in Zelhem (waar ik een boeiend gesprek had over copyright en plagiaat op boekomslagen), Bijleveld in Utrecht (het prachtige pand en alleen al voor hun eigen uitgaven) of, afgelopen weekeinde nog, Heinen in Den Bosch.

Het zijn de plekken waar de meest vreemde stad meteen thuis wordt.

En thuis in Nijmegen is het helemaal schandelijk overdadig. Behalve mijn persoonlijke favoriet Roelants (die zojuist besloot nog minstens 30 jaar door te gaan) hebben we de onvolprezen boekhandel Augustinus (ik voel me steeds schuldig dat ik daar te weinig kom – maar je kunt een Euro maar één keer uitgeven) en Dekker&Van de Vegt (bij wie ik me voor mijn relatieve afwezigheid dan weer iets minder geneer, omdat die het qua Euro’s toch wel redt).

Het is de zeer actieve Dekker-eigenaar Hans Peters die in zijn jaarlijkse gastcollege bij onze Master altijd uitlegt hoe bijzonder de boekenbranche eigenlijk is – in vergelijking tot een jeans-zaak bij voorbeeld. Daar komen elk seizoen een paar nieuwe modellen jeans in een paar maten. En meer smaken zijn er niet. De boekhandelaar daarentegen, zo legt Peters uit, heeft tienduizenden unieke producten in zijn winkel.

Het is mooi daar in deze Boekenweek eens bij stil te staan. En voorts de boekhandelaar eens een dikke knuffel te geven (weliswaar op de veilige twee meter Corona-afstand). En vanzelfsprekend op de koop toe te nemen dat tussen die talloos vele duizenden in zijn of haar winkel ook twee, drie titels van Akyol zitten.