Hoe een ridderroman eindigt in een sprookje


Uit: Ferguut. A facsimile of the only extant Middle Dutch manuscript (ed. M.J.M. de Haan). New Rhine Publishers, Leiden, Holland, 1974.

Door Eline van Onzenoort

Ferguut vollec danen voer,
Want sine herte hem sere swoer
Dat hi sijn lief hadde verloren;
Hi hads pine ende groten toren. (vs. 2593-2596)

[Vertaling: Ferguut ging daar snel vandaan, want hij had erg veel hartzeer omdat hij zijn geliefde had verloren; het deed hem veel verdriet.]

Met deze vier regels begint het ‘tweede deel’ van de Middelnederlandse ridderroman Ferguut. Ferguut, de jongste van drie boerenzonen, heeft in het eerste deel van het verhaal al heel wat meegemaakt. Op een dag ziet hij een stoet ridders van koning Arthur langs de boerderij komen. Ferguut is zo onder de indruk dat hij zijn ouders verlaat en naar het hof trekt, met alleen de oude wapens van zijn vader bij zich. Aan het hof wordt hij door koning Arthur tot ridder geslagen. Op zijn eerste avontuur ontmoet hij de jonkvrouw Galiëne, die verliefd op hem wordt, maar Ferguut wil daar niets van weten. Als hij na zijn eerste avontuur terugkeert bij het slot van Galiëne, is ze weg. Ferguut ziet nu zijn liefde voor haar in en wil niet langer in het slot blijven. Hij vertrekt en verslaat onderweg een dwerg en een ridder, die hij beiden naar het hof van koning Arthur stuurt. Ferguut doolt vervolgens gekweld van liefde rond door het bos.

Stijlbreuk

Daarmee zijn we weer aangekomen bij het tweede deel van de Ferguut, dat zich van het eerste deel van de tekst onderscheidt door een ‘stijlbreuk’. De eerste 2600 verzen zijn een vrij getrouwe vertaling van de Oudfranse Fergus, geschreven in de eerste helft van de 13e eeuw door ene Guillaume le Clerc. Het vervolg van de tekst wijkt echter van die bron af. Het verhaal wordt veel levendiger verteld en maakt volgens velen een ‘oralere’ indruk. Over de verklaring van deze stijlbreuk verschillen de meningen nog altijd. Zo menen sommigen dat de Middelnederlandse tekst door twee auteurs is geschreven. Willem Kuiper is de grootste vertegenwoordiger van deze visie. Op basis van zijn onderzoek naar de Middelnederlandse Ferguut en de Oudfranse Fergus concludeerde hij dat de auteur van het eerste deel de Oudfranse bron vertaalde, en dat de tweede auteur vrijer te werk ging, zonder Frans voorbeeld.

Recent maakten Theo Meder e.a. met behulp van de stylometrie echter aannemelijk dat de Ferguut is geschreven door één auteur die van register wisselt, namelijk van vertaalregister naar vertelregister. De stijlbreuk is er wel degelijk, maar die kan (vrijwel zeker) niet verklaard worden door de aanwezigheid van twee auteurs. De auteur vertaalde volgens hen in het eerste deel de Oudfranse Fergus, terwijl hij het tweede deel daar niet meer op baseerde en er wellicht zelfs opzettelijk vanaf is geweken. Daarbij merken ze de gelijkenis op tussen het tweede deel van de Ferguut en het sprookjestype ATU 314A, The Shepherd and the Three Giants, en vragen zich af: ‘kan een eventueel onderliggend sprookje niet tevens verklaren waarom het tweede deel van de Ferguut een ‘oraler’ indruk maakt (…)?’ (p. 95).

Wat kwam eerst?

In het boek Van Aladdin tot Zwaan kleef aan. Lexicon van sprookjes: ontstaan, ontwikkeling, variaties (1997) leggen Dekker, Van der Kooi en Meder de link al tussen het sprookje ‘De herdersjongen en de drie reuzen’ en het verhaal in de Fergus en de Ferguut. Er zijn zo veel overeenkomsten in de verhaallijn dat er een link moet zijn tussen de twee verhalen: ‘òf kernepisoden van ‘De herdersjongen en de drie reuzen’ circuleerden al in de 13e eeuw en zijn door de romandichters verwerkt, òf deze Artur-romans hebben (mede) op dit sprookje ingewerkt’ (p. 165).

De vraag welke eerder was, het sprookje of de ridderroman, is niet zo makkelijk te beantwoorden. Men vermoedt dat sprookjes (heel) oud zijn, maar ze zijn vaak pas in de 19e eeuw of later uit de mondelinge overlevering opgetekend. De Ferguut is echter niet de eerste Arthurroman die op een sprookje gebaseerd zou kunnen zijn. Maartje Draak schreef een proefschrift over de Roman van Walewein en concludeerde dat het werk een ‘tot Arthur-roman omgewerkt sprookje’ is (p.1). Het onderliggende sprookje voor de Walewein is bij Hans-Jörg Uther type ATU 550, Bird, Horse and Princess (previously Search for the Golden Bird). In de Walewein gaat ridder Walewein eerst op zoek naar het zwevend schaakbord, daarna naar het zwaard met twee ringen en als laatste naar de prinses Ysabele. In het sprookje gaat de hoofdpersoon op zoek naar de gouden vogel, het gouden paard en naar de jonkvrouw in een gouden kasteel. Voor Lanceloet en het hert met de witte voet is de globale verhaallijn afkomstig van het sprookjestype ATU 300, The Dragon-Slayer. Ook voor de Esmoreit wordt een sprookje als bron vermoed; hier gaat het om type ATU 652, The Prince Whose Whishes Always Come True.

The Shepherd and the Three Giants

Het sprookjestype ATU 314A, The Shepherd and the Three Giants, wordt door Hans-Jörg Uther beschreven in zijn inventarisatie van internationale volksverhaaltypen. Een arme jongen (een wees, een dwaas of de jongste van drie broers) gaat op weg met alleen een roestig zwaard of een magisch object op zak. De koning neemt hem in dienst als herder. Hij mag het vee op het land van de koning laten grazen, maar niet op de aangrenzende grond, want die behoort toe aan drie reuzen. Niemand is ooit levend van hun gronden teruggekeerd. De jongen gaat toch, en verslaat de reuzen één voor één met behulp van magische objecten. In het vertrek van de reuzen vindt hij een magisch paard en harnassen gemaakt van drie verschillende metalen (of andere objecten/personen waar de jongen iets aan heeft). De koning belooft vervolgens zijn dochter aan degene die haar kan redden van draken (of een toernooi wint, of de koning helpt in de strijd). De herdersjongen doet zijn harnas aan, stapt op zijn magische paard en wint zo – incognito – drie keer. Na elke overwinning trekt hij zich terug en verstopt zich, totdat de prinses hem na de derde keer herkent. Ze trouwen en de jongen wordt koning.

In Nederland en Vlaanderen is het sprookje een paar keer gevonden. In de Nederlandse Volksverhalenbank staan een aantal versies, waaronder twee in het Fries, één in het Gronings, en één in het Vlaams. De hoofdlijn van de verhalen is steeds hetzelfde, maar er zijn ook verschillen. Zo verslaat de held in één van de Friese versies de reuzen met behulp van een slaapdrank. In de Groningse versie verslaat de held een zevenkoppige draak (verspreid over drie dagen), terwijl hij in de Vlaamse versie drie opeenvolgende wedstrijden wint.

Ferguut en het witte schild

‘Ferguut ginc volleke riden
Ende reet al toter dageraken.
Doe began hi den torre naken
Daer die witte scilt in was.’ (vs. 3330-3333)

[Vertaling: Ferguut ging snel op pad, en reed door tot aan de dageraad. Toen naderde hij de toren waar het witte schild zich in bevond.]

Vanaf deze regels lijkt de Ferguut de globale lijn van het sprookje te volgen. Intussen is Ferguut genezen van zijn liefdesverdriet door water uit een magische fontein. De dwerg die de fontein bewaakt vertelt Ferguut dat hij eerst het witte schild moet vinden, voordat hij op zoek gaat naar Galiëne. Het witte schild geeft licht en heeft magische krachten; het zal de wonden genezen van degene die het draagt. Ferguut gaat op pad en komt bij de toren waar het witte schild zich bevindt. De toren wordt bewaakt door een reuzin. Ferguut verslaat haar en neemt het schild mee. Hij komt opnieuw bij een kasteel, waar hij nog twee reuzen doodt. In het kasteel treft hij twee gevangengenomen jonkvrouwen aan. Zij geven hem het magische paard van de reus. Na vier maanden hoort Ferguut van de jonkvrouwen dat er een nabijgelegen stad wordt belegerd door koning Galarant. Ferguut gaat meteen op pad, want de koningin van de bezette stad is niemand minder dan Galiëne. Daar aangekomen vecht hij – incognito – dapper tegen de belegeraars, maar keert aan het eind van de dag weer terug naar het kasteel. Ferguut gaat nog twee keer terug naar de stad; elke keer keert hij weer terug zonder zich bekend te hebben gemaakt.

Koning Galarant stelt dan een wedstrijd voor: als Galiënes kampioen zowel hem als zijn neef Macedone kan verslaan, zal hij haar niet meer lastigvallen. Galiëne gaat akkoord, maar kan geen kampioen vinden. Ferguut hoort hiervan, schiet Galiëne te hulp en stuurt de verslagen Galarant naar koning Arthur. Weer vertrekt Ferguut zonder zijn gezicht te tonen. Arthur organiseert vervolgens voor Galiëne een toernooi; de winnaar mag met haar trouwen. Ferguut verneemt het nieuws nog net op tijd en haast zich naar het hof. Twaalf dagen lang overwint Ferguut telkens één van Arthurs ridders. Op de laatste dag maakt Ferguut zich bekend aan één van de ridders en gaat mee naar Arthurs hof. Daar wordt hij herenigd met Galiëne; ze trouwen en Ferguut wordt koning van Galiënes land.

De gelijkenis qua verhaallijn tussen het tweede gedeelte van de Ferguut en het sprookje is op zijn minst opvallend: een jongen verslaat drie reuzen met behulp van een magisch voorwerp; met een magisch paard overwint hij drie keer achter elkaar een vijand; hij blijft lange tijd incognito maar maakt zich uiteindelijk bekend en trouwt dan met een prinses en wordt koning. Er is aan het verhaal over Ferguut natuurlijk van alles toegevoegd om er een ridderroman van te maken met een dappere, uiteindelijk hoofse ridder in de hoofdrol. Boerenzoon Ferguut wordt al snel tot ridder geslagen. Hij is dan nog niet echt hoofs; dat wordt hij pas op het einde van het verhaal. In het toernooi verslaat hij alle ridders van de Ronde Tafel, waarmee hij aantoont dat hij boven de rest uitstijgt. Hij weigert echter te vechten met Gawein, de meest hoofse ridder van allemaal. Hiermee toont Ferguut respect voor het hoofse riddertype: het ultieme bewijs van zijn eigen hoofsheid (Rombauts, De Paepe & De Haan, 1982, pp. 33-34).

De belangrijkste gebeurtenissen in het verhaal over Ferguut komen echter overeen met de verhaallijn van het sprookje. Het zou dus kunnen dat het verhaal over Ferguut, en dan vooral het tweede deel, gebaseerd is op het sprookje The Shepherd and the Three Giants.

Fergus vs. Ferguut

Ervan uitgaande dat het verhaal over Ferguut een onderliggend sprookje heeft, hoe liggen dan de verhoudingen tussen het sprookje en de tweede delen van de Fergus en de Ferguut? Zouden de verschillen tussen de twee delen van de Fergus en de Ferguut verklaard kunnen worden door het sprookje? De verschillen in stijl en register zijn hierboven al aan de orde gekomen en qua inhoud ‘komen ondanks allerlei verschillen in uitwerking de verhaalgebeurtenissen [in de Ferguut] in grote lijnen overeen met die in het Oudfrans’ (Zemel 1991, p. 57).

Op inhoudelijke verschillen gaat Zemel in zijn proefschrift Op zoek naar Galiëne (1991) niet veel verder in; wel op de verschillen in uitwerking tussen de twee teksten. Deze verschillen hebben volgens Zemel vooral te maken met een ‘verschil in romantype’. De belangrijkste bron voor Guillaume zijn de teksten geweest van Chrétien de Troyes. Hij schreef vijf Arthurromans in het Frans, waaronder Lancelot ou le Chevalier de la charrette en Perceval ou le conte du graal. De Fergus sluit nauw aan bij die werken, en de dichter schreef voor een publiek dat ook bekend was met Chrétien. In de Fergus zit een ‘hogere literaire dimensie’ met verwijzingen naar de romans van Chrétien die door het publiek ontdekt en herkend konden worden (p. 63). De bewerker van de Ferguut had niet zo’n publiek voor ogen, waardoor de verwijzingen naar Chrétiens teksten zijn weggevallen en de Ferguut een ‘vereenvoudigd romantype’ is geworden (p. 65).

Rombauts e.a. (1982) zien ook een belangrijk verschil in uitwerking. Het gaat volgens hen in de Middelnederlandse bewerking meer over hoofse principes, terwijl in de Oudfranse versie het individu (ook het vrouwelijke individu) meer centraal staat. Ze merken bijvoorbeeld op dat ‘Galiëne in de bewerking helemaal niet zo scherp is getekend als in het origineel’ (p. 31). In de Fergus wil Galiëne bijvoorbeeld zelfmoord plegen door zich van de toren van haar kasteel te laten vallen, omdat ze geen kampioen kan vinden. Een dergelijke scène komt ook voor in Chrétiens Perceval ou le conte du graal. Daar wil Percevals geliefde Blancheflor zichzelf met een mes van het leven beroven als haar burcht wordt ingenomen (Zemel, p. 85). De zelfmoordscène is in de Ferguut niet opgenomen, omdat het publiek de verwijzing naar de Chrétiens tekst niet zou opmerken, of wellicht omdat de Middelnederlandse dichter deze wanhopige actie überhaupt niet in een ridderroman vond passen.

Fergus en het sprookje

De verschillen tussen de tweede delen van de teksten hebben in feite niets te maken met het sprookje. De globale verhaallijn is hetzelfde in de Franse bron en de Middelnederlandse vertaling en de verschillen in uitwerking hebben meer te maken met het beoogde publiek van de schrijvers. Op basis daarvan moet dus geconcludeerd worden dat de Franse schrijver degene is die het sprookje in de tekst heeft geïntroduceerd.

Om verder te bekijken hoe waarschijnlijk het is dat de Franse schrijver zich heeft gebaseerd op het sprookje, kan gekeken worden naar de populariteit van de Fergus. Als de Fergus erg populair was geweest in zijn tijd, dan had de Fergus de inspiratiebron kunnen zijn voor het sprookje.Het aantal handschriften waarin een tekst is overgeleverd zegt vaak iets over de populariteit en verspreiding van die tekst. Als een tekst in meerdere handschriften is overgeleverd, wijst dat erop dat het een populaire tekst is geweest. Van de Oudfranse Fergus zijn twee handschriften overgeleverd, A en P. Ter vergelijking: van de encyclopedie Der Naturen Bloeme van Jacob van Maerlant zijn elf volledige handschriften overgeleverd, en nog acht incomplete handschriften. De Fergus was dus vermoedelijk niet zo populair, en ook niet zo wijd verspreid. Het is daarom waarschijnlijker dat de roman is gebaseerd op het sprookje.

Conclusie

Als het verhaal over Ferguut gebaseerd is op het sprookje The Shepherd and the Three Giants, dan heeft de Franse schrijver dat bedacht. Het sprookje is dus niet de verklaring voor de verschillen in de tweede delen van de Fergus en de Ferguut. De verschillen in verhaallijn zijn daarvoor niet groot genoeg. Waarschijnlijker is dat de Middelnederlandse vertaler de Franse tekst wel helemaal heeft gelezen en het verhaal in zijn hoofd had zitten, maar dat hij vanaf regel 2592 de Franse tekst om de een of andere reden niet meer tot zijn beschikking had en uit zijn hoofd verder is gegaan. Wellicht is hij bij het onthouden van de verhaallijn wel geholpen doordat hij ook het sprookje kende.

Bibliografie

Bouman, A.C., Ferguut. Zwolle: NV. Uitgeversmaatschappij, 1962.

Dekker, T., Van der Kooi, J. & Meder, T., Van Aladdin tot Zwaan kleef aan. Lexicon van sprookjes: ontstaan, ontwikkeling, variaties. Nijmegen: SUN, 1997.

Draak, A.M.E. (ed.), Lanceloet en de hert met de witte voet. Martinus Nijhoff: Leiden, 1984 (7e druk).

Draak, A.M.E., Onderzoekingen over de Roman van Walewein. Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon N.V., 1936.

Kuiper, W., Die riddere metten witten scilde: oorsprong, overlevering en auteurschap van de Middelnederlandse Ferguut, gevolgd door een diplomatische editie en een diplomatisch glossarium. Amsterdam: Schiphouwer en Brinkman, 1989.

Kuiper, W. & Claassens, G., ‘“Fergus” – “Ferguut”’, in: Höfischer Roman in Vers und Prosa. GLMF V (ed. Pérennec, R. & Schmid, E.). Berlijn: De Gruyter, 2010, pp. 311-329.

Le Clerc, G., The romance of Fergus (ed. Wilson Frescoln). Philadelphia: William H. Allen, 1983.

Meder, T., ‘‘Esmoreit’: de dramatisering van een onttoverd sprookje’, in: Queeste 3 (1996), pp. 18-24.

Meder, T., Bouma, G., Mars, H. & Havinga T., ‘Stijlbreuk in de Ferguut. Stylometrische heroverwegingen bij een auteurskwestie’, in: Queeste 25 (2018), pp. 87-100.

Meertens Insituut, Nederlandse Volksverhalenbank. http://www.verhalenbank.nl/

Rombauts, E., de Paepe, N. & de Haan, M.J.M. (eds), Ferguut. Den Haag: Martinus Nijhoff, 1982.

Uther, H-J., The types of international folktales. Drie delen. Helsinki: Academia Scientarium Fennica, 2004.

Zemel, R., Op zoek naar Galiëne. Over de Oudfranse Fergus en de Middelnederlandse Ferguut. Amsterdam: Schiphouwer en Brinkman, 1991.