Halt! Vallen alle begrippen?

Door Marc Kregting

Dat onze jongste dochter (9) in haar schoolboek een Paul van Ostaijen-klassieker voorgeschoteld kreeg die niet overeenkomt met het origineel, komt misschien omdat regels daaruit ten gunste van de eeuwigheid zijn bevrijd van hun gedicht. Los van het geheel kennen we immers de eerste twee woorden:

Deze afbeelding komt uit het door Gerrit Borgers bezorgde Verzameld werk (1952), en ik moet altijd met mijn ogen knipperen dat na de twee woorden het verhaal doorgaat. En dan te weten dat dit geen echt zelfstandig gedicht is, maar één deel van een vijfluik dat elf pagina’s beslaat! Dat de titel van dit luik ‘Music Hall’ luidt, compliceert de zaak nog prettiger omdat daarmee de naam valt van Van Ostaijens debuut uit 1916, terwijl de pagina ‘boem paukeslag’ landde in Bezette Stad uit 1921. 

Deze klassieke bundel, geschreven in Berlijnse ballingschap en inmiddels beschikbaar in het Engels en Duits en Frans, vormt volgens Gaston Burssens een zodanig geheel dat er niet los uit geciteerd kan. Maar deze pagina leert het tegenovergestelde: ze baarde een catch phrase, waarvan de laaglandse literatuur er niet bijster veel heeft. Het thema ‘Schrijvers en muziek’ kon voor de Boekenweek 2006 gerust dus moeiteloos ingang vinden onder de woorden boem paukeslag. 

Gopress leert dat ze buiten kunst in 2019, vlak voor de corona-uitbraak, gebruikt zijn om het succes van een handelsmissie naar China te onderstrepen. Vanuit een soortgelijk kader argumenteerde PVDA-leider Peter Mertens een paar jaar tevoren, toen hij met ‘Boem! Paukeslag!’ (en dus twee ingevoegde, niets aan de verbeelding overlatende uitroeptekens) de bankencrisis hekelde. Grappig dat men bij zulke toepassingen het tweede woord stilzwijgend uit Van Ostaijens tekst overneemt, terwijl het sinds de spellingsherziening van 1995 met een tussen-n hoort te worden geschreven.

Evengoed heeft het gedicht gefunctioneerd op een klimaatactie van Extinction Rebellion. Wat een compliment – en een bewijs dat literatuur wereldbeelden kan vertegenwoordigen, zelfs wanneer ze naar intentie en uitwerking experimenteel is. Zou dat ook zijn gelukt wanneer het openingswoord bam was geweest, zoals het soms opduikt in Van Ostaijens bundel De Feesten van Angst en Pijn die hij eveneens te Berlijn schreef en waaraan hij eerder was begonnen?

Dat zou ik eigenlijk aan onze dochter moeten vragen.

Taalkanjers

Onlangs kwam het tafelgesprek op een of andere manier op boem paukeslag, waarna onze dochter een heel stuk begon te reciteren. Ze had het gedicht net op school gehad, bij een les die expressie uitserveerde. Met de hele klas hadden stemmen over die woorden geroetsjt waarbij – ze deed een stukje voor –‘O’ in de vierde regel mij terugvoerde naar het Pizzalied van André van Duin

Ik dacht er pedagogisch aan te doen er de tekst bij te pakken, maar amper had onze dochter de pagina in Borgers’ editie opengeslagen of ze beweerde dat stukken van dat plaatje niet klopten. Watte? En hoe was ze daar zo zeker van? Ze zei sussend dat sommige regels wél juist waren en noemde enige woorden als tegenvoorbeeld die mij dan weer onbekend voorkwamen.

Er zat niets anders op dan haar schoolboek erbij te halen. Het heet Taalkanjers en is bedoeld voor het vierde leerjaar (in Nederland: groep 6). Daar troffen we dit aan:

Meteen na paukenslag is dit gedicht inderdaad al anders. Het plaatje beweerde nochtans expliciet ontleend te zijn aan een fotografische herdruk van Bezette Stad. Maar daar trof ik, onzeker over wat ik meende te weten, deze versie heus niet aan. Ik bleef twijfelen, raadpleegde het gedicht eveneens in een oudere bloemlezing en in een recentere uitgave van het Verzameld werk.

Ook daar niets van deze variant en andere wijzigingen. Wat was hier precies gebeurd? Die wat idioot klinkende vraag dunkt me in eerste instantie belangrijk, omdat tegenwoordig om de haverklap lieden censuur waarnemen en zich beperkt voelen in hun vrije meningsuiting. Dat het oordeel corruptie dan gretig wordt geveld, is teksteditorisch nogal geinig.

Vanuit censuurperspectief kan ik meteen opmerken dat waar de duivelse ‘slangen’, die al figureerden in het gedicht ‘Barbaarsche dans’ uit De Feesten van Angst en Pijn, ongemoeid zijn gelaten, hun aardse pendant ‘hoeren’ zijn veranderd in ‘boeren’. Deze slinkse wijziging valt eventueel nog te verdedigen als aanpassing aan de wereld van het jonge publiek, waarna juffen en meesters geen uitleg hoeven te geven over zaken die deze leeftijd te boven gaan. 

Hoe zit dat met een veel zichtbaarder verandering? Gelijk na boem paukeslag ligt niet langer ‘daar’ alles plat maar ‘in Jan Breydel’. Zo is de cyclische werking op de pagina tenietgedaan, bestaande uit een herneming met variant. 

Die naam Jan Breydel heeft ondertussen beneden de Moerdijk wel wat geschiedenis. Het betreft een slager uit de veertiende eeuw, die in opstand zou zijn gekomen tegen de Fransen. Sinds Hendrik Consciences roman De leeuw van Vlaanderen (1838) is zijn naam opgenomen in de vaart der volkeren, als vrijheidsstrijder voor en een symbool van het Vlaams nationalisme. Allemachtig, is de aangebrachte tekstverandering in Van Ostaijen echt zo politiek?

Twee regels later ligt dat vermoeden toch wat anders. Van Ostaijens instrumentenreeks ‘violen-celli-bassen-koperen-triangels’ herhaalde grotendeels een ensemble van de vorige bladzijde in Bezette Stad maar krijgt nu een sportjasje aangemeten met ‘grazen-bacca-haka-spelers-kopen-hopen’. De klok gaat dan een eeuw vooruit. Carlos Bacca was de topscorer van de Belgische voetbalcompetitie in 2013. Aangekocht voor het bedrag van 2 miljoen euro was de Colombiaan toen aanvaller bij Club Brugge, dat speelt in het Jan Breydelstadion. Dat deze accommodatie wordt ingelast in een gedicht van een geboren Pagadder heeft iets van een oorlogsverklaring – er had ook ‘Het Kiel’ (Beerschot) of ‘Den Bosuil’ (Royal Antwerp) kunnen staan.

Daarna worden Van Ostaijens tweede pauken doodleuk drommels. Een oubollige uitroep, die rijmt op het voorgaande woord ‘trommels’ en waarmee de bewerking klank prefereert boven betekenis. 

Ook de volgende regel ondergaat een ingrijpende verandering voordat rennen gemeenschappelijk wordt. In de beweging daarnaartoe drapeerde Van Ostaijen een tweeledige werkwoordreeks ‘razen rennen razen’. Hij had zijn bundel mede op zulke koppels gegrondvest, voordien bijvoorbeeld met ‘stappen steppen steppen stappen’. En de finale van Bezette Stad verklaart een centraal werkwoord in boem paukeslag: ‘woorden groeien wassen razen’. Het rennen is zowel een poëticaal als een existentieel culminatiepunt, dat in het lange slotgedicht van De Feesten van Angst en Pijn evenzeer gemarkeerd werd, als ‘het rennen van de verschijnselen’.

Daar stelt de bewerking iets magers tegenover: ‘wroeten ploeten fluiten’. De voetbalsfeer krijgt iets rugby-achtigs, als ik ‘haka’ er vertraagd bij mag betrekken, een machistisch spelletje. Overigens gaat het middelste woord misschien niet exclusief over krachtsinspanning. Volgens het WNT is ‘ploeten’ ook een substantief en betekent het wat meewarig kledij. Dat maakt het voorspelbaar dat, na enige identieke regels, ten slotte niet meer de fabriek wankelt maar ‘het projekt’. Die spelling oogt ineens achterhaald modern.

Epidemisch

Waar komt deze lollige, min of meer coherente bewerking vandaan? Met twee leesbrillen over elkaar valt links onderaan een ondertekening in lichtere inkt te detecteren: pippoinzaghi2. Dit is niet de naam van een editeur, maar van de altijd scorende Italiaanse spits rond de millenniumwisseling. En daar dan een melige stand-in van, die een Twitteraccount blijkt te hebben gehad die na overtreding van de regels suspended is.

Die voetbaldichtheid verklaart dan wel definitief de Breydel- en Bacca-passage, mij bevreemdt hoe deze bewerking in een schoolboek kon belanden. Leve Google Images. Bron voor die verwisseling kan een lerarensite zijn geweest die zogeheten tools aanreikt voor de klas. Bij het spannende onderdeel ‘Modernisme in de Nederlandse literatuur’ stond deze dia, met als onderschrift: ‘Een beroemd stuk simultaangedicht uit het dadaïstisch gedicht ‘Music Hall 2’ van Van Ostaijen uit de dichtbundel ‘Bezette Stad’. Die cursus is inmiddels verwijderd.

Misschien nog een vraag in deze tijden: is deze fakeversie epidemisch? Tot nog toe zag ik haar pas één keer terug, overgenomen door een leerling die een taak bij dit gedicht kreeg. Ze voert me wel rimpelloos naar de ethische kant van de zaak. Kan met literatuur van zulke ernst de draak worden gestoken?

Volgens Gerrit Borgers verwierf het gedicht bekendheid door de typografie. Dus dan krijgt het een koekje van eigen deeg, temeer daar tekstueel het montageprincipe regeert. Literair-historisch verbeeldt boem paukeslag bovendien de explosie en vitaliteit waarmee iets nieuws zich aankondigt. 

Achter formele gelijkenissen gaat wel een enorm verschil schuil. Om dat in kaart te krijgen moet worden gedefinieerd wat onder experimenteel wordt verstaan. Vrolijk anarchisme? Erik Spinoy vond ‘boem paukeslag’ representatief voor de uitzichtloosheid waarin Van Ostaijen Bezette Stad liet wentelen, en waar alleen een vlucht uit de werkelijkheid de pijn even kon verzachten.

Mij lijkt de pastiche geen onoverkomelijk probleem, maar ik ben wellicht lankmoedig jegens heiligschennis. Ook vind ik het kras dat zo’n straffe bewerking de redactie bij een gerenommeerde uitgever van onderwijsboeken kan passeren. Maar waarschijnlijk schat ik zo’n bureau dan te hoog in. Enerzijds omdat het moet vertrouwen op tekst van (een) expert(s), anderzijds omdat bij dit gedicht de twee sleutelwoorden het geheugen compleet kunnen hebben geannexeerd. 

Dus laat ik coulant zijn dat onze dochter en wellicht enige duizenden Vlaamse jaargenootjes gefopt zijn bij hun kennis over Van Ostaijen. Nog een geluk dat deze dichter door Maurice Gilliams – die veel acribische tekst nodig had om de spaarzame woorden te duiden waarmee Bezette Stad Antwerpens oorlogsfatum met maximaal effect opriep – is gekarakteriseerd als ‘het al te verstandige kind‘.

Wel wordt de onherstelbaar verslechterde schoolboekversie voorafgegaan door een olijk, gefingeerd interview dat een meisje bij wijze van schooltaak afneemt aan Van Ostaijen. Hij zegt resoluut dat hij ‘de Belgische nationaliteit’ heeft. Daar heeft hij 22 jaar van zijn leven op moeten wachten. Of zoals hij het in een brief verwoordde:

‘ik ben een echte antwerpenaar, van een hollandsgen vader, maar dáár Noord-Brabant, toch ook weer iets Belg, aangezien men deze streek par deça du Moerdijk als Brabantcédé kan beschouwen en de aldaar wonende volkeren als des frères sous le joug étranger. – Zoals ge ziet een tamelik gekompliceerde nationaliteit Belg Hollander en toch weer Belg’

Natuurlijk hoeven kinderen niet alle finesses mee te krijgen, maar een snufje hier en daar kan geen kwaad. Hoe je het ook wendt of keert, Taalkanjers is een officiële leermethode. Of word ik nu echt een ouwe bovenmeester? Een ‘kanjer’ is inmiddels synoniem van een ‘topper’ op fysiek of ander, al dan niet artistiek gebied. Maar toen ik in de vierde klas van de lagere school zat was ze een welhaast evident deel van de uitdrukking ‘kanjer van een fout’, en hoorde ik er ‘blunder’ in doorgalmen.

Moet ik dan halt! roepen? Uiteindelijk laat de pastiche vooral verlies ten opzichte van het origineel zien, in de verschillen met Van Ostaijens tekst die, hoe expressief en spontaan hij ook overkomt, exact en genuanceerd is. Door de typografie trekken de aanzwellende en afnemende muzikale lijnen de aandacht, maar in de schijnbaar los gemonteerde woorden zit een structuur, die een lijntje uitwerpt naar Bachs cantate Tönet, ihr Pauken! Erschallet, Trompeten! 

Ongebreideld, wil ik maar zeggen, valt zelfs de experimenteelste Van Ostaijen niet te pasticheren. Dat zou betekenen dat toch ook weer niet iedereen een kunstenaar is en dat er, ondanks de hausse aan schrijfcursussen, beperkingen zijn aan creativiteit. Mocht dat de uitkomst zijn van de grap uit Taalkanjers, dan dunkt me dat winst. Bovendien zijn de Corona-dagboeken die onze dochter recent is begonnen vooralsnog een gevalletje van ritmische typografie, mét kleuren. 

Ze nam al over uit mijn Borgers-editie, dus ik heb ‘hoeren’ gesignaleerd, aan het papier toevertrouwd zonder dat mij gelukkig als alleswetende ouder is gevraagd om toelichting. En dat uit een bundel die, terwijl de Belgische interim-premier maatregelen nam om ‘de verspreiding van het virus in te dijken’, eindigt met een cascadisch vormgegeven visioen: ‘misschien wordt eens / de nood zo groot/ alle dijken breken’.