Gedicht: Gerard den Brabander • De steenen minnaar (VII)

De steenen minnaar (VII)

O harde mond, die stuursch zijn grijnslach teelt
en korzelig in mergels weet te spreken;
die met de kou en met graniet krakeelt
en nimmer aan een lente zijt bezweken,

tracht nú in helder zingen uit te breken
en liefkoos haar met liedren, hooggekeeld,
wier glimlach, heerlijker dan hemelstreken,
met één zoet weerlicht levens vierendeelt.

Zing, harde mond, bezing dit broze leven,
dat u geboren werd uit barnsteenbruin.

bezweer dit beeld, dat het u niet begeve,
en berg het in uw borstkas van arduin,

opdat het, in dit bronzen lied gedreven,
onsterfelijk zij … Zing, zing uzelf tot puin.

Gerard den Brabander (1900-1968)
uit: De steenen minnaar (1946)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.