‘De haringjood’ (1815)

Jeugdverhalen over joden (82)

Door Ewoud Sanders

‘Mousje’ de ‘haringjood’. Illustratie uit Letterkransje voor de Nederlandsche jeugd (1815).

Auteur: onbekend
Moraal: bespot geen arme mensen

Herkomst en drukgeschiedenis

Het gedicht ‘De haringjood’ is gepubliceerd in Letterkransje voor de Nederlandsche jeugd. Dit boek werd uitgegeven door Mensing en Van Westreenen in Rotterdam en beleefde drie drukken: in 1815, in 1821 en omstreeks 1830. De auteur is niet bekend.

‘Mousje’ verkoopt haring op straat. Hij is onvermoeibaar en probeert aan iedereen zijn waar te verkopen. Ter aanbeveling schreeuwt hij onder meer:

‘Haring vetjes in den mond,
Malschjes aan je tanden!
Haring voor den buik gezond,
Heb ik in mijn’ handen!’’

‘Haring brengt de vreugd in ’t land,
Doet de burgers smullen;
Haring is een gouden vangst,
Die de beurs kan vullen.
Daarom, vrienden! burgerij!
Koopt den haring toch van mij!’

Onder het gedicht, dat 36 regels telt, staat cursief de moraal in dichtvorm:

Geen stand hoe klein of hoe vergeten
Verdient, o jeugd! noch smaad, noch spot;
Zijt gij in hooger kring gezeten,
O, dank daarvoor den goeden God!

Doelgroep en receptie

Van dit boekje vond ik één bespreking. Het gaat om een beoordeling van de tweede druk, die verscheen in 1821. ‘De uitgevers van dit bevallig kransje’, aldus Letter-oogst voor de beschaafde jeugd, ‘maken zich voor de leesgierige jeugd alleszins verdienstelijk, en zijn de erkentenis van zoodanige ouders en leermeesters waardig. (…) Kleine gesprekken, lieve gedichtjes en aangename vertellingen leveren eene bevallige verscheidenheid op. De fraai gekleurde plaatjes (…) verdienen eene loffelijke onderscheiding.’ Bij wijze van voorbeeld drukte Letter-oogst het complete gedicht ‘De haringjood’ af.