‘De feestdag der herstelde Suze’ (1825)

Jeugdverhalen over joden (83)

Door Ewoud Sanders

Illustratie uit Nieuw geschenk aan de lieve jeugd (1825). Dirk en Suze met hun hondje ‘Ami’, een geschenk van een joodse jongen die vanwege zijn achtergrond bijna niet was uitgenodigd op Suzes feestje.

Auteur: Petronella Moens (1762-1843)

Herkomst en drukgeschiedenis

Op vierjarige leeftijd werd Petronella Moens getroffen door kinderpokken. Zij overleefde de ziekte maar werd er blind door. Die handicap weerhield haar er echter niet van om zich verder te ontwikkelen. Haar vader leerde haar schrijven en ook liet zij zich veel voorlezen door familieleden en vrienden.

         Moens had een fabelachtig geheugen en een grote verbale begaafdheid. Zij won verschillende prijzen met haar boeken en gedichten. Zo kreeg zij in 1786 een gouden medaille voor Esther, in vier boeken, een lang gedicht dat is opgedragen aan de ‘regenten der beide Joodsche sijnagogen in Amsterdam’. Moens pleitte voor de emancipatie van joden en vrouwen en voor afschaffing van de slavernij.

         In 1798 begon zij een eigen politiek tijdschrift, De Vriendin van ’t Vaderland, dat maar één jaar heeft bestaan. Vanaf het begin van de 19de eeuw legde zij zich meer toe op het schrijven van kinderboeken.

         ‘De feestdag der herstelde Suze’ is een verhaal in Nieuw geschenk aan de lieve jeugd.Dit boekwerd uitgegeven door A.J. van den Sigtenhorst in Deventer en beleefde twee drukken: in 1825 en in 1840. Hieronder is geciteerd uit de oudste druk. ‘Mijne bedoeling’, schreef Moens in het ‘Voorberigt aan de ouders’, is ‘het geluk van het opkomend geslacht te bevorderen, de onschuld te beveiligen, het goede in de jeugdige hartjes aan te kweeken, en onedele neigingen uit te delgen of ten minste te beteugelen’.

Samenvatting

Dirk en Suze Hulsterbosch leven met hun ouders op een grote boerderij niet ver van een stad. Dirk is acht jaar en Suze is zes.

         Op een dag wordt Suze door een ‘gevaarlijke krankheid’ getroffen. Het lijkt erop dat zij gaat sterven, maar het gevaar wijkt en Suze herstelt.

         Tijdens haar ziekbed is aan Suze beloofd dat zij een feest mag geven. Zij maakt een gastenlijst, moeder leest de namen voor. Als broer Dirk de namen Saartje en Jozef hoort, roept hij: ‘Neen, die niet, dat zijn kinderen van eene Jood.’ Naar aanleiding van die opmerking begint vader een gesprek met Dirk.

         Vader: ‘Joden, zegt gij, lieve jongen? wat zijn dat voor menschen‚ denkt gij?’

         Dirk: ‘Pieter de meesterknecht zegt dat de Joden ondeugend zijn, dat zij onzen lieven Heer Jezus vermoord hebben, en daarom door den goeden God gehaat worden.’

         Vader: ‘Die dat durft zeggen, is heel dom, of hij heeft een boos hart.’

         Suze vertelt dat de ouders van Jozef en Saartje juist heel goedhartig zijn. Toen het dochtertje van de dominee voor hun deur was gevallen, heeft Saartjes moeder haar getroost en verzorgd. En hun vader gaf een bedelaar geld en een brood.

         Dirk is hiervan niet onder de indruk. ‘Ja, maar zij hebben toch den lieven Jezus, die de kinderen ook zoo lief had, vermoord, en [meesterknecht] Pieter zegt, dat wij daarom de Joden moeten haten, want God haat hun ook.’

         Nu raakt vader geïrriteerd. ‘Zegt het nooit weêr, Dirk! (…) God is de liefde zelve. Hij heeft de Joden even lief als u en mij. (…) Heb ik het u niet zelf leeren schrijven, dat onze lieve Heer Jezus zegt: Heb uwe vijanden lief.’

         Vervolgens spreekt vader uitvoerig over de kruisdood van Jezus. Hij zegt onder meer: ‘Hij moest sterven tot heil van ons allen. (…) En zoudt gij nu, omdat die booze Joden dat gedaan hebben, nog na twee duizend jaren hunne nakomelingen mogen haten?’

         Dirk is nog altijd niet overtuigd. ‘Maar Pieter zegt ook, dat de Joden den lieven Jezus nog verachten en met Hem spotten, en dat zij vijanden zijn van alle Christenen.’

         Vader: ‘Dat de Joden Jezus nog verachten en bespotten, geloof ik niet dat over het algemeen plaats heeft; ik ken Joden‚ die over de leer van Jezus met veel achting spreken (…) Dat onder de Joden, even als onder ons, domme en onkundige menschen zijn, en dat die even verachtelijk van de Christenen spreken als Pieter over de Joden spreekt, dit is zeker; maar naar zulke menschen, die veroordeelen hetgeen zij niet kennen, moet men een geheel volk niet beoordeelen.’

         Eindelijk geeft Dirk zich gewonnen. Beschaamd zegt hij: ‘Het spijt mij nu, dat ik die kinderen zoo veracht heb. (…) Ik wil dan ook de Joden liefhebben, zoo als ik andere menschen liefheb.’

         Saartje en Jozef worden uitgenodigd voor het feestje. Van Saartje krijgt Suze een ‘heel mooi werkdoosje’, van Jozef krijgt ze ‘een klein mooi hazewindhondje’ genaamd ‘Ami’.

Doelgroep en receptie

Nieuw geschenk aan de lieve jeugd was volgens het voorbericht bedoeld voor kinderen ‘van vijf tot negen of tien jaren’. Ik vond twee besprekingen, van de tweede druk (1840). ‘Een regt lief boekje van vermakelijken en nuttige inhoud’, oordeelde het tijdschrift Vaderlandsche Letteroefeningen in 1841. Het tijdschrift Nieuwe bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding noemde het ‘een waardig geschenk voor de lieve jeugd’.