‘De daad bij de term voegen’

Door Roland de Bonth

Niet hippisch ingewijden zullen vreemd opkijken als zij horen dat een paard niet spoort. Heeft het dier een aan de gekkekoeienziekte gerelateerde stoornis? Nee hoor, een paard dat niet spoort treedt met zijn achterbenen niet in het spoor van zijn voorbenen. Het is maar één van de termen uit de dressuur, de gymnastische basis van de paardensport, die Lut Colman bespreekt in haar bijdrage aan het boekje Vak-taal. Van achterhand tot zwavelgeel elfenbankje (2017). Intrigerend zijn ook enkele andere termen die zij in dat stuk Paardengym aan de orde stelt. Wist je dat je in de dressuur één paard kunt verzamelen en dat je in de dressuurproef vierkant moet halthouden?  

Terminologie

Bij terminologie gaat het om het gebruik van en de studie naar termen. Onder termen verstaan we woorden, groepen van woorden, afkortingen of eigennamen die gebruikt worden om concepten van een specifiek kennisgebied uit te drukken. Die laatste toevoeging is noodzakelijk. Woorden voor een concept in het algemene taalgebruik zijn uitdrukkelijk geen termen. Bovendien moeten termen ook daadwerkelijk gebruikt worden door de vakmensen uit het specifieke domein. 

De volgende drie voorbeelden maken duidelijk waarom het ene woord een term is en het andere niet. Ik heb dit stuk overgenomen van het in 2018 opgerichte Expertisecentrum Nederlandstalige Terminologie (ENT), ondergebracht bij het Instituut voor de Nederlandse Taal.

  • Krachtens is een woord dat typisch voorkomt in overheidsteksten en niet zomaar in alledaags taalgebruik. Toch is het geen term, want het is geen uitdrukking van een linguïstisch gefixeerd concept. Het is een functiewoord (met grammaticale functie) en vormt geen vaste verbinding tussen een concept en een talige vorm.
  • Voorwaarts kan een gewoon woord, uit het gewone taalgebruik zijn (moedig ging hij voorwaarts) maar binnen het domein van de paardensport is het een term die gebruikt wordt voor een bepaalde ‘houding’ van het paard. Domein is hier trouwens ook een goed voorbeeld van: in het dagelijks taalgebruik heeft ‘domein’ een heel brede, algemene betekenis en is het zeker geen term. In het vakgebied van de taalwetenschap functioneert het woord echter als term.
  • Kleuterjuf is geen term, want het is weliswaar de linguïstische expressie van een concept uit een specifiek domein, maar deze benaming wordt alleen gebruikt door leken, niet door de vakspecialisten zelf (die zullen kleuterleidster zeggen).

In feite is vrijwel alle specialistische communicatie gebaseerd op termen. Ook in het voortgezet onderwijs wordt veelvuldig gebruik gemaakt van termen. Bij mijn dochter op school worden bijvoorbeeld uso’s gegeven – uitgebreide schriftelijke overhoringen; zelf was ik alleen vertrouwd met so’s (schriftelijke overhoring, soms ook schoolonderzoek). Uit de tijd dat ik zelf werkzaam was als leraar Nederlands, herinner ik me nog de term upje; het gaf de hoeveelheid uren per jaar aan die je in het kader van het taakurenbeleid aan een specifieke taak diende te besteden. 

Wie al jaren op een middelbare school werkt, weet inmiddels wel wat er met bepaalde termen of afkortingen wordt bedoeld; voor nieuwe werknemers ligt dat anders. Vooral pas afgestudeerde leraren en zij-instromers zouden gebaat zijn bij een goede beschrijving en dito definitie van in het onderwijs gebezigde termen waarbij ook informatie wordt gegeven over het juiste gebruik van een bepaalde term. Als iedereen hetzelfde verstaat onder een bepaalde term, komt dit de onderlinge communicatie zeker ten goede. 

Misschien dat vakcoaches en BOS’ers – Begeleiders Op School – door het lezen van het bovenstaande geïnspireerd zijn om een termenlijst voor nieuwe collega’s samen te stellen. Een eenvoudig lijstje met termen of afkortingen en een korte uitleg is betrekkelijk eenvoudig te maken, maar een termenlijst die voldoet aan de regels van de kunst is andere koek. Hoe pak je zoiets aan? Het Expertisecentrum Nederlandstalige Terminologie (ENT) biedt uitkomst. Daar is namelijk het e-book Terminology for beginners van Patricia Brenes gratis te downloaden. Het boek biedt precies wat de titel belooft: het geeft antwoord op de vraag wat terminologie is, wat een terminoloog doet, hoe hij dat doet en met welke (hulp)middelen. (Voor de liefhebbers: lees ook Brenes’ blog In my own terms, waar zeer recentelijk Stine Jensen een aantal gastcolumns voor schreef.)

Termenlijsten zoeken

Voordat je zelf aan de slag gaat met het maken van een lijst, is het aanbevelenswaardig om na te gaan of niet iemand anders al de hand aan de ploeg geslagen heeft. Het eenvoudigst kun je dat doen door in Google een van de zoektermen begrippen, begrippenlijst, glossarium, termen, termenlijst, terminologie, thesaurus, vaktermen, woordenboek, woordenlijst te combineren met het onderwerp van jouw interesse, bijvoorbeeld glossarium + taalkunde. Zo vind je niet alleen direct J.J. Maks Rhetoricaal Glossarium en het Glossarium Bernense maar ook de online termenlijsten met taalkundige terminologie op Taalunieversum.org. Interessant voor het onderwijs is ook de (Vlaamse) Advieslijst Taalbeschouwelijke Termen Nederlands uit 2012 waarin zowel thematisch als alfabetisch een grote hoeveelheid termen te vinden is die het mogelijk maakt op eenduidige wijze te spreken over taal(kunde) in het klaslokaal. 

Een grote verzameling termenlijsten is ook te vinden op de website van het Instituut voor de Nederlandse Taal. Daar zijn ze ingedeeld volgens de internationale Library of Congress-classificatie. Interessante en nuttige lijsten voor docenten Nederlands (en andere neerlandici) staan in de hoofdklassen L (Onderwijs) en P (Taal en Literatuur). Het Expertisecentrum Nederlandstalige Terminologie pretendeert geenszins een uitputtende opsomming van termenlijsten te presenteren. Integendeel, bezoekers wordt opgeroepen om ontbrekende online lijsten door te geven zodat zij opgenomen kunnen worden in het overzicht.  

Termenlijsten maken

Het maken van een termenlijst lijkt op het eerste oog eenvoudig, maar wie dat op wetenschappelijk verantwoorde wijze wil doen, bemerkt dat er het nodige bij komt kijken. Hoe vind je – op systematische wijze – woorden die opgenomen zouden moeten worden in een termenlijst? Is er echt  sprake van een term (zie de bovenstaande voorbeelden krachtensvoorwaarts en kleuterjuf)? Welke informatie leg je in een termenlijst vast? Hoe definieer je een bepaalde term? Het eerder genoemde boekje van Brenes geeft het antwoord op die vragen en suggesties voor verdere lectuur. 

Het opstellen van een termenlijst zou ook een interessante opdracht kunnen zijn bij het schoolvak Nederlands. Leerlingen maken – vaak zonder dat ze het zich bewust zijn – gebruik van talrijke termen in hun vrijetijd. Tijdens het voetballen, het gamen, het dansen, het bakken of het dresseren van paarden. Laat ze eens een werkstuk schrijven over de termen die in hun hobby, sport of vrijetijdsbesteding voorkomen. Je zou hen een lijst van bijvoorbeeld 50 begrippen kunnen laten samenstellen. De betekenis of definitie van een vakterm kunnen ze opzoeken via Google door in het zoekvak van Google define: te typen gevolgd door een spatie en het woord of de woordgroep ( define: hoekschop). De meeste leerlingen zullen echter de minstens zo succesvolle methode “Wat is een hoekschop?” gebruiken. 

Door de kracht van moderne zoekmachines lijkt het een fluitje van een cent om goede definities te vinden. In de praktijk valt dat tegen. Zelfs voor de bekende voetbalterm hoekschop bestaan er aanzienlijke verschillen in de omschrijvingen:

  1. vrije schop genomen door een speler van het aanvallend team uit een hoek van het terrein (waar doellijn en zijlijn elkaar ontmoeten) [Voetballers. Jargon & slang van voetballers]
  2. een vrije trap vanaf de hoek van het veld [Wiktionary. Het Nederlandstalige Wikiwoordenboek
  3. een hoekschop of corner bij voetbal is een manier om het spel te hervatten, waaruit rechtstreeks kan worden gescoord in het doel van de tegenpartij [Wikipedia]
  4. schop vanuit een hoek van het voetbalveld waarmee de bal weer in het veld wordt gebracht, nadat hij over de achterlijn is gegaan [Woorden.org. Nederlands woordenboek]

Geen van deze definities is volledig. Bij (1) is niet duidelijk aangegeven dat de hoek per se op de helft van de tegenstander moet liggen, bij (2) is niet duidelijk wie de bal neemt – bovendien wordt er door het gebruik van het bepaald lidwoord de gesuggereerd dat er maar één hoek is, bij (3) staat niet vermeld dat het een vrije schop is en dat deze vanuit een hoek wordt genomen (al impliceert het woord hoekschop dit natuurlijk wel) en bij (4) wordt niet gezegd wie de bal neemt en dat de bal door de verdedigende partij over de eigen achterlijn is gewerkt.

Leerlingen leren met deze opdracht niet alleen zoeken naar definities, ze moeten die gevonden definities ook kritisch met elkaar vergelijken en op basis daarvan in zorgvuldig gekozen bewoordingen zelf een definitie op- of samenstellen. 

Voorafgaand aan deze termenlijst kunnen leerlingen een inleiding schrijven waarin ze de keuze voor hun onderwerp toelichten, hoe ze de termen hebben verzameld en op welke manier zij hun definities hebben opgesteld. Het biedt leerlingen de kans iets te schrijven over een onderwerp dat hen na aan het hart ligt en het laat hun leraar kennis maken met de specifieke betekenis van termen als albatrosballenspiraal en dimple van een golfliefhebber of bergopwaartsnageven en rechtrichten van een paardenliefhebber. 

Foto: Paard met tekeningen nabij de splitsing Kennemerstraatweg en Kennemersingel in Alkmaar, Dqfn, Wikimedia