De corona van de negentiende eeuw: cholera

Zo veranderden choleraslachtoffersi n korte tijd

Door Marita Matijsen

Wie zijt ge, die heel de aard’ met siddering vervult?
Gij, die, in duisternis en nevelen gehuld,
Niets dan verderving aâmt? Een vloekharpij, de kolken
Des afgronds uitgebraakt, om land op land te ontvolken?

Uit J.J. Goeverneurs gedicht ‘De cholera’ uit 1832, de tijd van de eerste cholera-epidemie in Nederland, blijkt hoe bang men was voor de onbekende en onverklaarbare ziekte. Een arts uit Utrecht beschreef wat hem overkwam in 1832. Hij werd bij een vijfjarig meisje geroepen, dat duidelijk de tekenen vertoonde die in de kranten beschreven waren voor cholera. Ze lag in een kruiwagen in een koud achterhuisje. Talloze buren waren uitgelopen omde vreemde ziekte te bekijken. Op aandrang van de dokter trokken de toeschouwers zich terug, want hij wist van het besmettingsgevaar. Een man van zestig was niet te bewegen weg te gaan en bleef hoofdschuddend naar het kindje kijken. De dokter haalde de moeder over om het kind naar het nieuw ingerichte cholerahospitaal te brengen. Het lijdertje huilde luidkeels met de eigenaardige hese cholerastem en smeekte om bij haar moeder te mogen blijven. De oude man raakte hierdoor nog meer van streek. Het kind was nog niet weggevoerd, of de dokter zag dat de meelevende toeschouwer de ziekte ook had. Binnen een uur veranderde hij totaal van uiterlijk. Tien uur later was hij dood. Het kindje overleed ook.

De cholera sprak tot de verbeeldingskracht van dichters. Ze werden gefascineerd door het huiveringwekkende raadsel van de ziekte, die zich leek te onttrekken aan eerdere ervaringen met epidemieën. Wie ben jij, schreef ook Hasebroek bij de tweede epidemie in 1848:

Wie zijt ge, o onbekende
En ongewenste gast,
Die, waar ik de ogen wende,
Mij overal verrast?
Richt ik naar ’t veld mijn schreden,
Ik zie u dreigend staan,
En wil ik stadwaarts treden,
Uw aanzicht grijnst mij aan.

Die personificatie van de cholera is er ook in de Brief in dichtmaat aan de cholera morbus van de libellenschrijver Jean Baptiste Wibmer, waarin hij de cholera toeschrijft dat die geniet van de angst als hij met zijn opengesperde kaak klaar staat om het mensdom te verslinden.  Veel dichters van bekommernispoëzie hebben erover geschreven, ook Nicolaas Beets, Bernard ter Haar en Adriaan van der Hoop. De schrijvers voelden de angsten van de mensen aan. Ze schreven romans waarin de cholerabedreiging een rol speelt, ze schreven gedichten die voor de gezinnen van slachtoffers verkocht werden, ze schreven historische romans over de pest en iedereen verving het woord ‘pest’ natuurlijk door ‘cholera’. In 1835 verscheen er een vertaling van de Italiaanse roman De verloofden van Alessandro Manzoni, waarin de pest een angstaanjagend thema is, en dat boek had meteen succes. In de roman Elize, in 1839 uitgegeven door Elisabeth Hasebroek, spelen liefdesgeschiedenissen zich af tegen het decor van de uitbraak van de cholera.

Adriaan van der Hoop gaf het gedicht De cholera: graf- en boeteklanken (1832) uit waarin hij de cholera als een straf van God voorstelde.  Da Costa sloot zich later in zijn gedicht Vijf en twintig jaren (1840) aan bij deze visie van Van der Hoop. Andere schrijvers zochten de oorzaak niet bij God maar bij zijn gewijde dienaren, zoals in een uit het Duits vertaald pamflet met de titel: Hoogst belangrijke bewijsgronden, dat de cholera morbus door de Jezuïten in Europa gebracht is, door hen geleid, en tot hunne oogmerken aangewend wordt.

De cholera was een nieuwe ziekte, die tot dan toe nog niet in West-Europa voorgekomen was. Men kende haar verschijnselen niet, wist niet hoe zij overgebracht werd, meende dat zij onberekenbaar was omdat zij een ander verspreidingspatroon vertoonde dan de pest. Ze leek op verschillende plaatsen tegelijkertijd te kunnen uitbreken en bracht daardoor een groeiend gevoel van onveiligheid onder de mensen. De beschrijvingen van haar optreden gingen de verbeeldingskracht te boven. De patiënten veranderden binnen het uur van uiterlijk. Helse krampen en een ondraaglijke dorst wisselden diarree en braakerupties af. Het gezicht viel in, de ogen begonnen uit te puilen, de stem werd hees en de huid verkleurde zwartblauw. De lijders voelden ijskoud aan. Ze waren zo koud, dat men sommige patiënten voor dood hield, die nog enige uren te lijden hadden. Er gingen verhalen rond van lijken, die terwijl ze in de extra diepe kuilen zakten die voor de choleradoden gegraven werden, op het laatst nog tegen de doodskist tikten.

De cholera is uit India naar Europa gereisd. In het moerasgebied van Bengalen heerste zij al vele jaren. In 1817 brak zij door de grenzen van India heen en baande zich langzaam een weg naar Rusland, waar zij in 1830 de zuidgrens overschreed. Moskou werd in dat jaar getroffen. Russische legers namen haar mee naar Polen, waar militaire acties plaatsvonden tegen opstandige Polen. Pruisen legde langs de grens met Polen een scherpe bewaking in, maar tevergeefs, want ook Berlijn raakte besmet. Rijke mensen die in koetsen Berlijn wilden ontvluchten, werden tegengehouden door de menigte, die niet accepteerde dat de welgestelden zich konden onttrekken aan het lot. Engeland sloot zijn havens tegen schepen uit de Oostzee. Tevergeefs. Na Engeland was Frankrijk aan de beurt. Begin 1832 kon men in de Nederlandse kranten lezen dat de cholera Parijs had bereikt, waar beduidend meer slachtoffers vielen dan in Londen. In Parijs werd het volk hysterisch. Wie zich ophield in de buurt van waterputten, werd ervan verdacht het water te vergiftigen. Wie een vreemd flesje bij zich droeg, zou de smetstof willen verspreiden. Kasteleins zouden de wijn vergiftigen en zelf antistof ingenomen hebben. Onschuldigen werden door het volk aangevallen en gelyncht. Het gerucht verspreidde zich dat artsen beloningen kregen voor elke arme die aan de cholera stierf. De apothekers verdriedubbelden de prijzen van geneesmiddelen, die overigens niet hielpen. En ook hier was er een complotttheorie: de Jezuïeten verspreidden de ziekte. Waarom ze dat zouden doen was de vraag niet.

Vluchtelingen uit Parijs brachten de ziekte over naar België, waar men even angstig reageerde als in Frankrijk. Het volk geloofde dat kwaadwillenden besmet snoepgoed aanboden aan kinderen.

Nederland was voorbereid op het uitbreken van de cholera. In 1831 had de regering drie bekwame artsen naar Duitsland gestuurd om de ziekte te bestuderen en deze hadden een rapport opgesteld met aanbevelingen. In elke grote gemeente moest een choleracommissie ingesteld worden, bestaande uit een notabel, een arts en een politiedirecteur. De steden werden verdeeld in wijken waarin de wijkcommissie verantwoordelijk was voor de gang van zaken. Gemeenten kregen het advies een speciaal cholerahospitaal in te richten. Huizen waarin cholera heerste, kregen een bordje aan de deur. Als de zieken of doden uit huis waren, werd de woning ontsmet met de toenmalige middelen: luchten, azijn sprenkelen en chloorgas verspreiden. Choleradoden moesten direct de kist in zonder ze af te leggen, en ze moesten zo snel mogelijk in een dubbeldiep graf begraven worden. Jacob van Lennep was een van de notabelen in Amsterdam die verantwoordelijk werd voor een grachtenwijk.

De adviezen van de commissie waren voor die tijd vooruitstrevend. Matigheid en reinheid werden als voorname middelen gezien om de cholera beheersbaar te houden. De voorbereidingen werden overal vrij stilletjes getroffen, omdat het burgergilde wilde voorkomen dat paniek en dus opstand zou uitbreken. Wel had de pers zich meester gemaakt van het onderwerp, en verscheen de een na de andere brochure met aanbevelingen hoe zich de ziekte van het lijf te houden. De Vaderlandsche Letteroefeningen publiceerden in elk nummer wel een verhandeling erover. De religieuze leiders gebruikten de angst om de mensen aan te sporen zich tot God te wenden, voor hij het grote kwaad naar Nederland zou sturen.

De regering verwachtte dat de cholera, zoals alle kwaad, uit Frankrijk zou komen, en dus had men aan de Belgische grens verscherpte controle ingevoerd. Dat was des te makkelijker omdat er in verband met de Belgische opstand nog veel militaire troepen in Zuid-Nederland gestationeerd waren. Men had echter niet voldoende op de zee gelet. De cholera kwam Nederland binnen via een Scheveningse vissersschuit met botersmokkelaars. Tussen 25 juni, het binnenlopen van de visserspink, en 3 juli waren er al 46 lijders waargenomen. Vier daarvan waren binnen enkele dagen overleden. Direct trad het apparaat in werking. Vis uit Scheveningen mocht niet meer vervoerd worden. Jaarmarkten en kermissen werden verboden. Geneeskundige hulp aan armen werd gratis beschikbaar gesteld. Desondanks bereikte de ziekte in juli Den Haag, Katwijk en Rotterdam. In augustus waren Utrecht en Amsterdam aan de beurt. In totaal stierven bij de eerste cholera-epidemie 10.108 mensen. De tweede uitbraak van 1848-1849 was heviger en viel samen met een periode van hongersnood door aardappelziektes en hoge voedselprijzen. 22.460 mensen werden toen het slachtoffer. De laatste hevige uitbraak is van 1866-1867, en ook toen vielen nog 21.286 doden.

Van de verschillende besmettelijke ziekten in de negentiende eeuw heeft de cholera het meest onmatig toegeslagen. De pokken en de tyfus halen nog niet de helft van het totale dodenaantal van de cholera. Bovendien maakte de cholera de mensen radeloos, omdat ze zowel miasmatisch als contagieus leek te zijn, dus zowel een gevolg van vervuilde dampen als van smetstof. De snelheid waarmee een gezond mens in weinige tijd kon vervallen tot een onherkenbaar wrak, was angstaanjagend. De machteloosheid van medici, en de onverklaarbare resistentie van sommige mensen, vergrootten het raadsel van de helse harpij.

Pas in 1883 ontmaskerde Robert Koch de boosdoener. Hij publiceerde de ontdekking van de cholerabacterie en wekte daarmee enthousiasme in medische kringen. Door de toegenomen hygiëne en de aanleg van waterleidingen waren de grote epidemieën echter al bedwongen. Zijn ontdekking bevestigde wel, dat hygiëne de belangrijkste vijand van de cholera was.

En: kunnen wij nog iets leren van de negentiende-eeuwse omgang met de cholera? Ik vrees van niet, maar ik ben wel benieuwd of er ook verzen of romans over de corona geschreven gaan worden. De parallellen zijn duidelijk: enorme media-aandacht, de onbekendheid, de snelheid. De overheidsmaatregelen van toen waren in elk geval ingrijpender dan die van nu: speciale hospitalen, meteen begraven, wijkcommittees voor toezicht en het aankruisen van huizen waar de ziekte heerste. En natuurlijk liepen de kerken toen vol – dezelfde die nu juist gesloten zijn. In 1848 kwam er een nationale bededag. Die hielp dus niet. Toch heb ik voor de zekerheid maar wat kaarsjes aangestoken toen ik in Limburg in ‘het kapelke van Geloeë’ kwam.

Veel van wat hierboven staat is ontleend aan mijn De gemaskerde eeuw, en komt ook voor in het boek dat ik nu aan het schrijven ben.
Dit stuk verscheen eerder op het weblog van Marita Mathijsen.