Anna Roemers Visscher: Sonnet to the Sea-land Poets

Nederlandse sonnetten voor de Engelssprekende wereld (1)

Door Cornelis W. Schoneveld

In de Engelse literatuurgeschiedenis heeft het sonnet een belangrijke plaats ingenomen vanaf de vroege Renaissance tot het eind van 19e eeuw toe, maar met een merkwaardige en langdurige onderbreking van ca. 1650 tot 1800. John Milton lijkt bij die onderbreking een belangrijke rol te hebben gespeeld. Op het Vasteland bleef het sonnet echter een druk beoefend genre. Het leek mij nu een aardig idee om de Engelsen eens te laten lezen wat ze op die manier hebben gemist. Frans kent de geletterde Brit wel, maar Nederlands niet. Vertrouwend op de kunstzin van Gerrit Komrij, heb ik uit zijn De Nederlandse Poëzie van de 17de en 18de eeuw bijna alle sonnetten daaruit bijeengebracht en van mijn vertaling voorzien, in de hoop de Brexit daarmee te overbruggen, onder de titel:  “SCORN NOT THE SONNET”

Dit is de aanhef van het sonnet waarmee William Wordsworth in ca. 1800 het herstel inluidde.

Sonnet to the Sea-land Poets

You ever happy folk, who’re often out of town 
Up floating in the air, to Gods your welcome crying,
Your presence on their festive days far from denying,
And at the top, near Zeus, his son of wise renown. 

O happy counterpoint to who, at shaky wage sit down,
While dozing in an office (graves for all such, dying),
I praise you in my heart, and feast you for supplying
Your future Immortality, then laurelled with Her crown.

Is ’t true, as I have heard, that you with clever ruses
Are each arriving here as the Alchemist who uses
Words as gold? No! It is a greater master-trick

You take in hand: for with your strange manipulations
You make your Nightingale sing sweetest evocations,  
Who in its mother tongue just cries: bor, kick, kick, kick.

Anna Roemers Visscher (1584-1651)

Sealand: Dutch coastal Province, south of 17th c. Holland.

Sonnet aan de Zeeuwse Poëten

Gij altijd lustig volk, dat met uw geest gewoon 
Te zweven zijt omhoog, een welkom bij de Goden,
Die u als ’t feestdag is op haar banket doen noden
En bovenaan het naast Jupiter’s wijste zoon. 

O lukkig tegendeel! van die om wankel loon
Vermuffen op ’t kantoor (een graf van zulke doden)
U eer ik in mijn hart, u vier ik als de boden
Van de Onsterfelijkheid, belommerd met haar kroon.

Ik heb onlangs verstaan dat gij met schrandere listen
In Zeeland u kwartier begint te Alchemisten
Om goud te maken? Neen! Maar groter meesterstuk

Neemt gij-lie bij de hand, ’t zijn wonderlijker kuren
Kunt gij uw Nachtegaal doen zoetjes tureluren
Die in zijn moederstaal roept kik, borr, kik, kik, kik.