Myn laatste eten was een door honden bepist stuk zwart brood geweest.

De Multatulileescursus (69)

Door Marc van Oostendorp

– Je zou de loopbaan van Multatuli kunnen beschrijven als een helling naar een steeds grotere afkeer van het schrijven.

– Hoe bedoel je dat?

– In deel 21 van de Volledige Werken is het in ieder geval helemaal raak.

– In het begin, in de Max Havelaar, werden de belangrijkste bezwaren tegen het schrijven nog semi-ironisch geuit door de figuur Droogstoppel.

– Nu, Max Havelaar was ook wel duidelijker een spreker dan een schrijver.

– Hoe kom je daar nu bij? Weinigen zullen betwisten dat Sjaalman dezelfde is als de Havelaar. En Sjaalman heeft nog een heel pak geschreven.

– Hoe dan ook, gaandeweg ontwikkelt Multatuli zich wel als schrijver. Vanaf het begin klaagt hij dan wel dat het zo hard werken is en dat het allemaal paarlen voor de zwijnen zijn omdat ‘het Publiek’ niet ‘lezen kan’. Maar inmiddels, in 1881 en 1882, de man is dan over de zestig, vindt hij zelfs brieven aan vrienden schrijven niet meer leuk:

Ziedaar dan ook een der redenen waarom ik zoo ongaarne schryf. Onwaarheid is my een gruwel en myn leven is te vol, m’n aandoeningen zyn te menigvuldig en te sterk dan dat ik met de mededeeling daarvan m’n vrienden mag lastig vallen. Het vermyden van de onderwerpen die ons bezighouden, is vermoeiend. Dat doe ik, o ja, zoolang ’t me mogelyk is, by persoonlyke aanraking, schoon ’t me niet altyd gelukt.

M’n leven is inderdaad moeielyk. Dit is nu eenmaal zoo. Gelooft men my niet, meent men dat ik de zaken te donker inzie ik kan ’t niet helpen. By uiting had ik byna altyd berouw. Wat geeft het me of deze en gene na ’t aanhooren van ’n pleitrede die betoogt dat ik zwaar gebukt ga onder ’n tegenspoed die de meeste anderen verpletteren zou, antwoordt: ‘Ah zoo, ja inderdaad dat is zeer verdrietig!’ Immers niets.

– Hij kan alleen nog maar klagen over zijn lot, maar hij weet dat dit nu niet echt interessante lectuur is. Bovendien kan hij tóch niet echt uitleggen wat hem nu eigenlijk precies zo dwars zit. Of eigenlijk: wat hem dwars zit is dát hij het niet kan uitleggen.

– Een schrijver en spreker met een zeldzaam meesterschap over de taal die steeds meer teleurgesteld raakt in wat die taal kan.

– Soms komt hij dan ook tot een zeldzaam zelfinzicht:

Ik had U toch dezer dagen willen en moeten schryven. Wat me daarin zoo dikwyls tegenstaat, is dat eeuwig bezig-zyn met mezelf. Dit is een vloek van m’n positie. Kwaal tegen kwaal opgerekend, is er in koorts iets zeer aangenaams als men ze vergelykt met hoesten. t Besef dat men ’n ander hindert, is bitter. Gy, edelmoedige menschen, wilt zeker niet toestemmen dat ik U hinder, maar ik voel ’t terdeeg dat gy niets aan my hebt, en dat ‘alles van één kant komt.’ Gy hebt toch óók uw zorgen en Uw verdriet, en wel verre van me daarmee lastig te vallen, maakt ge er niet eens melding van. Ik kan niets dan hartelyk aan U denken. Dat geeft wat!

– Dit klinkt gewoon depressief.

– De depressie van iemand die slecht slaapt omdat hij almaar moet hoesten.

– Ja, misschien zit in die bronchitis wel alles, het einde van het schrijverschap, de moedeloze toon.

– Hoe fantastisch zijn brieven trouwens zijns ondanks ook blijven. Er staan passages in die echt niet onderdoen voor de beste van de ideeën.

– Ach, als Douwes Dekker nu eens een autobiografie geschreven had! Over zijn arme jaren:

Dagen achtereen was ik zonder voedsel. Myn laatste eten was een door honden bepist stuk zwart brood geweest. Dat had ik voor ’n paar kreutzers op krediet weten te krygen. Misschien had ik dat nog eens kunnen doen in ’n anderen winkel. Maar ’t vragen viel my te zwaar, zwaarder dan ’t hongeren zelf, en ik deed het niet meer. Dat laatste deelde ik met myn hond, die ’t eerst niet lustte maar ik bewaarde zyn deel voor hem tot-i het eten wou omdat-i moest. Toen zat ik en… werkte! Ja, ik schreef. En met potlood. Een pen had ik niet. En ook geen papier. En de hond begon te verharen. Nog meer oorzaken maakten den vloer van mn kamer vuil. Ook de lucht was verpest. In den heelen zomer lag de afval van 100 elken dag geslachte ossen voor m’n venster te verrotten. Ik wilde niet dat de kamer zoo vuil zou zyn als ik daar gevonden werd na ’t bezwyken. Eerst bracht ik den hond weg. ’t Beest kwam terug. Toen verder, verder, uren ver. Ik zocht ’n drukke buurt op en wist te midden van veel volk ’t beest te ontsnappen. Weer op m’n kamer terug gekomen was m’n eerste werk den vloer te vegen met ’n soort van bezem dien ik onderweg gemaakt had van afgerukte wilgentakken uit de drooggevallen moerassen langs den Main by Kostheim. Ook veegde ik den drek weg die de bewoners van ’t huis (Gustavsburg) voor m’n deur legden. Ja, toen heb ik geschreven!

– Die daar misschien wel voorstudies voor waren, want hij was wel degelijk van plan om, voor het geld, weer te gaan schrijven.

– En het is niet alleen het schrijven, he. Ook het lezen biedt hem nog maar weinig genoegen, als dat ooit het geval was. Ooit had hij een Shakespeare-leescursus willen beginnen, maar nu?

Ik lees… Göthe! Myn god, hoe is ’t mogelyk dien man zekeren rang (en ’n zoo hoogen rang nogal!) toetekennen op ’t gebied van poëzie en wysbegeerte!
Ik lees (ophemelary van den frasenmaker) Victor Hugo, en voel me wee!
En zoo-even legde ik ’n beschouwing van Shakespear’s Macbeth uit de hand – het is om alle papier pen en inkt naar de hel te wenschen.
En onze dagbladen! En de tydschriften! En de versjes! En de redeneeringen in de Kamers! en al de dingen die genoemd moesten worden en die men met huichelachtig voorgewend niet-weten voorby gaat! En de tartuffes die hun met laster gevulde preekjes leveren tegen… laster!
En ’t groote Publiek dat voortdurend met dat alles genoegen neemt!

– Het staat hem allemaal tegen, behalve hijzelf kan niemand schrijven zoals hij vindt dat je moet schrijven. En zelf schrijft hij niet meer.

– Aan zijn jonge fan Willem Paap geeft hij op een bepaald moment zelfs de opdracht een stuk te schrijven waarvan het duidelijk is dat hij het zelf had moeten schrijven. Een stuk dat de draak steekt met allerlei stilistische flauwekul.

– Ja, waaronder zaken die nu door sommigen nog steeds als nieuwerwetse flauwekul worden ervaren:

Ook: ‘letterlyk’. De menschen staan tegenwoordig ‘letterlyk’ als (dat ‘als’ is te veel) ‘van den donder getroffen’ ‘in den grond genageld’ &c &c

– Je vraagt je met zoveel zwartgalligheid af hoe de man het toch nog vijf jaar heeft kunnen volhouden.

– Volgende week een stukje dichter bij de ontsluiering van dat raadsel, met deel 22!

Foto: Brief van Multatuli aan Willem Paap, 1881. Geheugen van Nederland.