Het gelijk van de literatuur

Door Nico Keuning

Voor de serie Fouten boeken? herlas ik onlangs de roman Mystiek lichaam (1986) van Frans Kellendonk. In vele opzichten een ‘goed’ boek, dat door literatuurcritici destijds verkeerd werd begrepen: de schrijver werd op grond van uitspraken van personages in de roman beschuldigd van antisemitisme. Een kortzichtige conclusie over een boek, waarin essentiële maatschappelijke kwesties aan de orde worden gesteld die nu, twintig jaar na ‘het multiculturele drama’ van Paul Scheffer, nog steeds brandend actueel zijn. Al ruim dertig jaar geleden nam Kellendonk afstand van de multiculturele samenleving.


Kellendonk (1951-1990) was homoseksueel, groeide op in een katholiek gezin, studeerde Engelse letterkunde in Nijmegen en vertrok naar Amsterdam, studeerde in Engeland, verbleef langere tijd in Amerika en overleed op 39-jarige leeftijd aan ‘that new disease’ AIDS. Na de aanvankelijke geborgenheid van het gezin en de katholieke kerk raakte hij als individu steeds verder los van een gemeenschap. Het is het patroon dat zich onder jongeren, vooral studerenden, nog steeds voordoet. Vanuit het gezin, los van een beschermde kleine gemeenschap maken zij plotseling als individu deel uit van een grote, vreemde, gemengde gemeenschap. Van gezinslid, buurt- of dorpsgenoot zijn zij stadgenoot geworden, landgenoot, Europeaan, wereldburger.

Stephan Enter formuleert het in zijn recente roman Pastorale in de woorden van Louise, een van de twee kinderen uit een gereformeerd gezin uit Breveland (anagram van Barneveld), dat in de grote stad is gaan studeren. Tegen Maarten, de zoon van dominee Westeneng, zegt ze dat religie ‘onnoemelijk veel kwaad in de wereld’ aanricht:

‘Het nam mensen hun leven af. In plaats van dit leven als het grootst en wonderlijkste denkbare avontuur aan te gaan, lieten gelovigen dag na dag door hun vingers glippen vanwege de aangeleerde hoop op een hiernamaals.’

Of je nu gereformeerd, katholiek of moslim bent, bij religie staat voor het individu alles in het teken van het verdienen van het hiernamaals. In die zin is elke vorm van altruïsme egocentrisch. Voor Kellendonk was dit egocentrische element ondergeschikt aan het idee dat één geloof één (kerk)gemeenschap de mensen in het hiernumaals zou verbinden. ‘Een land waar vrijheid van godsdienst heerst is geen godsdienstig land meer,’ schreef hij in de NRC van 9 mei 1986. ‘In zo’n land is de staat één en kerken zijn er vele, zodat de burgers zich alleen staatkundig verbonden voelen, niet meer in religieus opzicht.’ Hij spreekt in dit verband van ‘religieuze anarchie’. Eén religie moest verbinden wat verbroken was. Het is naar zijn idee ‘ons enig middel om het dier dat we zijn, die louter economische functie, te transcenderen’ en iemand te worden die deel uitmaakt van ‘een bovenpersoonlijke eenheid’.

Dat laatste zou in een andere context, buiten de religie, wel eens hét integratiemiddel kunnen zijn dat alle burgers in staat stelt te mengen. Uit de tv-documentaire Terug naar de Akbarstraat blijkt dat ondanks optimale integratie burgers met een andere culturele achtergrond stuiten op de grenzen van acceptatie. ‘Integratie heeft geen eindstation,’ zegt cultureel antropoloog en buurtbewoner Sinan Çankaya in de documentaire. Inderdaad, je zult er nooit bij horen als je de nadruk blijft leggen op verschillen in geloof, cultuur en identiteit. Er zullen altijd verschillen blijven bestaan tussen burgers, tussen een student met een Marokkaanse afkomst en een student uit Enkhuizen, hoeveel overeenkomsten er tussen beiden ook zijn.

Om het eindstation integratie te bereiken is er iets nodig dat groter is dan wijzelf. Wat voor de Akbarstraat geldt, geldt voor meer steden, ook in internationaal verband. Er moet iets zijn wat alle bewoners verbindt, ‘een bovenpersoonlijke eenheid’ om met Kellendonk te spreken. Voor mijn boek Het land van verlangen (2011) interviewde ik elf HBO-studenten met een andere culturele achtergrond. Studenten uit India, Pakistan, Iran, Marokko, Turkije en Suriname. Wat hun ouders ertoe deed besluiten hun land te verlaten was: een betere toekomst voor hen zelf en hun kinderen. Dat is wat bevolkingsgroepen in beweging brengt en wat leidt tot een wereldwijde exodus: niet de zoektocht naar één kerk, één staat, maar het verlangen naar intellectuele vrijheid en welvaart. Deze twee vormen de ‘bovenpersoonlijke eenheid’ die burgers uiteindelijk met elkaar verbindt.

Een van de ‘personages’ in Het land van verlangen is ‘Nandini’. Zij groeide op in de Dapperbuurt in Amsterdam. Toen zij negen jaar was, besloten haar ouders haar op de Blue Bells Model Senior Secondary School in Delhi te plaatsen om de Indiase taal en cultuur beter te leren kennen. Een cultuurshock. Op 13-jarige leeftijd, keerde ze terug naar Amsterdam. Daar begon haar queeste om op een middelbare school te komen. Volgens Nederlandse normen was ze op de basisschool immers niet verder gekomen dan groep 5. Ik schreef een pastiche op het sonnet ‘De Dapperstraat’ van de dichter J. C. Bloem (1887-1966):

De Dapperbuurt

Als kind kwam ik jaarlijks in twee steden.
Ach, zo ging dat, er leek niets aan de hand.
Tot ik op school in Delhi ben beland.
Ver van Amsterdam, kwam’k mezelf tegen.

In het strafregime kon ik me niet bewegen:
Een dansend schip op vreemde kust gestrand.
Nimmer was’k tegen ’t leven zo fel gekant
als in die klas waar’k zo heb geleden.

Zo’n verschil, dat had ik nooit verwacht.
Als in een diepe put opgeborgen,
dan is het alsof lijden eeuwig duurt.

Dit heb ik, terug in Nederland, gedacht:
(’t was een natte zomerdag zonder zorgen)
Ik woon gelukkig in de Dapperbuurt.