Het eind van het woord is zwakker

Door Marc van Oostendorp

In het Nederlands zijn er geen woorden die eindigen op een d-, een b-, een z- of een v-klank. Je hebt natuurlijk een woord als hond, waarin je een d schrijft, en die d klinkt ook in de meervoudsvorm honden, maar als die d aan het eind van een woord staat zegt iedereen die Nederlands spreekt een t. Dat geldt ook voor de bweb zeg je in het meervoud wel met een b maar in het enkelvoud niet, en voor de v en de z. Die laatste schrijf je doorgaans zelfs niet, ook als hij in verbogen of vervoegde vormen (lieve, lezen) wel klinkt en geschreven wordt.

Opgeheven

De verschillen tussen de d en de t wordt aan het eind van het woord als het ware opgeheven – het hetzelfde geldt voor al die andere paren klanken. Er zijn woorden die alleen van elkaar verschillen doordat de een aan het begin een d heeft (dak) en de ander een t (tak), maar dat geldt niet voor het eind van het woord: rad en rat klinken hetzelfde.

Dat opheffen van het verschil tussen twee klanken – neutralisatie, noemen taalkundigen dat – gebeurt in talen van de wereld, net als in het Nederlands, veel vaker aan het eind van het woord dan aan het begin. Dat is de conclusie die drie taalkundigen van de Universiteit van Arizona trekken in een artikel in het vakblad Language. Ze zochten in de grammatica’s van vijftig talen van over de hele wereld naar wat voor dingen er gebeurde met klanken aan de randen van woorden als zo’n woord alleen voorkwam of juist voor of na een ander woord. En wat bleek? Er is een veel grotere kans dat verschillen worden opgeheven aan het einde dan aan het begin van een woord.

Slotklank

Dat gold zelfs niet alleen voor dit soort neutralisaties – zoals de onderzoekers eigenlijk verwachten. Ook andere veranderingen onder invloed van de context kwamen vaker aan het einde dan aan het begin van een woord voor.

De verklaring? Het heeft er volgens de onderzoekers mogelijk iets mee te maken dat het einde van een woord minder belangrijk is voor de luisteraar. Wanneer we over huisdieren praten en ik zojuist hon heb gezegd, weet iedereen al zo’n beetje wat er komt. Zo blijkt menselijk taalbegrip ook echt te werken: zodra een ander begint te praten begin je meteen te raden wat die persoon eigenlijk wil zeggen. Uit tal van experimenten blijkt dat het idee van een trouwe viervoeter al in de luisteraar is opgekomen voordat de spreker de slotklank zegt. Dus doet die slotklank zelf er niet zoveel meer toe.

Wederzijds begrip

Er zijn daarvoor meer aanwijzingen, ook in het Nederlands. Wanneer je een voorvoegsel dat eindigt op een medeklinker (ver) voor een stam zet die begint met een klinker (eer), dan houden de lettergrepen zich precies aan de grens tussen voorvoegsel en stam: je zegt niet ve-reer maar ver-eer. Tussen stam en achtervoegsel geldt dat meestal niet: als de stam eindigt op een medeklinker (eer) en het achtervoegsel begint met een klinker (en), dan zeg je e-ren en niet eer-en.

Het is dus net alsof de linkerkant van de stam niet echt ‘clean’ hoeft te blijven terwijl de rechterkant altijd precies de rechterkant is. Zo past de taal zich aan de eisen van het wederzijds begrip aan.

Afbeelding: Vladiwostok, einstation van de Transsiberiëlijn. Kallgan, Wikimedia