Gedicht: Johannes Bodecheer Benningh • Klinck-dicht

In zijn Goude Muntgodin maalde hij de geldzucht af.”

Klinck-dicht

Nae dat de rijckdom op het hooghste wierd gepreesen,
Soo dat het eere scheen als yemand veel besat,
En schand als yemand niet in sijne kisten had,
Is in de plaets van deughd veel schelmerij gereesen.

Een yeder pooghde rijck en wel-begoed te wesen:
’t Kon dicwils niet geschien, men sagh somtijts geen raed.
Ten zy men dieverij, of ander leelijck quaed
Wouw neemen by-der hand; men plaght wel eer te vreesen

Voor alderley bedrogh en door-gekroopen list,
Nu noemtmen hem de best, die meest te vinden wist
Waer mee men loofelijck verschalleckt land en steden.

Indien dat yeder dacht, ’t gheen yeder dencken moet,
Hoe niemand ymmermeer leeft van den overvloed;
Een yeder zouw sijn hert met deughden weer bekleden.

Johannes Bodecheer Benningh (1606-1642)
uit: Goude munt-goddin (1628)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.