De J.M.A. Biesheuvelprijs: wie telt er mee?

Door Jos Joosten

Een opmerkelijk letterennieuwtje, deze week: de Biesheuvelprijs, sinds 2015 uitgereikt voor de beste verhalenbundel van het afgelopen jaar, wordt in 2020 niet uitgereikt. De jury, bestaande uit Katty Gerez Heemstra, Marja Pruis en Lisanne Snelders publiceerde een korte verklaring:

Het aantal verschenen verhalenbundels was in 2019 uitzonderlijk laag. De afgelopen jaren schommelde het aantal inzendingen rond de dertig, maar dit jaar werden er dertien boeken ingestuurd, waarvan een deel bovendien niet aan de reglementen van de prijs voldeed. De jury (Katty Gerez Heemstra, Marja Pruis en Lisanne Snelders) heeft de bundels beoordeeld en vastgesteld dat er geen prijswinnaar tussen zat.

Dat soort cijfermateriaal trekt altijd meteen mijn aandacht. Ik wilde weten of zich inderdaad zo’n plotse afname heeft voorgedaan in het aanbod van verhalenbundels. In de digitale Nederlandse bibliografie is eenvoudig na te gaan of deze waarneming – om te beginnen – kwantitatief klopt. Wanneer je als zoektermen ‘NUR-code 303: Verhalenbundels’ en het publicatiejaartal invoert, levert dat door de jaren dat de Biesheuvelprijs bestaat de volgende gegevens op:

2014: 241 titels
2015: 260 titels
2016: 186 titels
2017: 167 titels
2018: 198 titels
2019: 186 titels

Het gemiddelde is 206 bundels per jaar, en daar zit 2019 inderdaad onder, maar dat geldt ook voor 2016 en 2018, en 2017 was, vooralsnog, het jaar met de laagste productie.

Nu hebben we het hier natuurlijk over de totale productie van verhalenbundels en het reglement van de Biesheuvelprijs geeft een aantal logische restricties, waarvan de volgende relevant zijn voor het aantal uiteindelijk te beoordelen titels.

De J.M.A. Biesheuvelprijs wordt jaarlijks door een jury toegekend aan de beste oorspronkelijk in het Nederlands geschreven en uitgegeven verhalenbundel (literaire fictie) van het voorgaande jaar.

De bundel dient verhalen van één auteur te bevatten.

Bundels die in eigen beheer zijn uitgegeven kunnen niet meedingen.

(…)

Afzonderlijke verhalen, heruitgaven en bundelingen eerder (in boekvorm) verschenen verhalen komen niet in aanmerking voor de prijs. In twijfelgevallen beslist de jury.

Met inachtneming van deze parameters heb ik eerst de lijst van 2018  bekeken om te zien of ik zo eigenhandig ongeveer tot het beperktere aantal kwam dat de jury jaarlijks zegt te ontvangen.  Daarbij heb ik evidente gevallen van eigen-beheer (dat zijn er nogal wat!), vertalingen, heruitgaves en column-verzamelingen buiten beschouwing gelaten.

Voor dat jaar – waarin de shortlist bestond uit Merijn de Boer, De geur van miljoenen, Gamal Fouad, De voorhuidenverzamelaar en de uiteindelijke laureaat Maria Vlaar met Diepe aarde (De Arbeiderspers) – kwam ik zo tot 20 titels die mogelijke kandidaten konden zijn. Aangenomen dat een aantal evidente niet-kanshebbers toch instuurden, denk ik aardig in de richting van de echte selectie te zitten.

Dit was mijn opmaat om te zien hoe het er voorstond in het zogezegde rampjaar 2019. Dat jaar verschenen er dus in totaal 186 verhalenbundels. Met dezelfde criteria die ik voor 2018 gebruikte kom ik tot 10 mogelijke kanshebbers (met enkele niet-kanshebbers kom je dan inderdaad tot de dertien inzendingen die de jury meldt).

Tot zover de cijfers.

Is de conclusie van de jury gerechtvaardigd dat het aanbod plotseling te klein is om tot een gerechtvaardigde keuze te komen? Duidelijk is inderdaad dat de potentiële selectie zowat de helft kleiner is dan het jaar ervoor. Niet vaststaat bovendien wie er uiteindelijk inzonden, dus ook daar is het moeilijk om te beoordelen of de juryleden de juiste beslissing namen. Los van dat laatste punt is het natuurlijk heikel om te gaan meedenken met de jury. Op de sociale media dook de naam op van Sanneke van Hassel die met Nederzettingen nu dus ten onrechte gepasseerd werd. Maar in mijn lijstje staan ook bundels van, tussen de nodige minder bekende namen, Jeroen van Kan en Thomas Verbogt alsook A.L.Snijders, de grootmeester van het (zeer) korte verhaal, die hem alle eerdere jaren had kunnen winnen.

We hebben niet kunnen meekijken met datgene wat de jury feitelijk in huis gekregen heeft, maar als je deze namen ziet van auteurs die in 2019 verhalenbundels publiceerden, dan is het toch – zeker met inachtneming van de tamelijk canonieke keuzes van de Biesheuvel-jury’s tot dusverre – enigszins opmerkelijk dat ‘er geen prijswinnaar tussen zat’.

Ik heb zelf de nodige jaren in de jury’s van de Campertstichting gezeten en weet zodoende uit ervaring dat de opties per jaar fluctueren. Wij hadden nooit te kampen met een te klein aanbod, maar er waren uiteraard wel magere en vette jaren – met  de onvermijdelijke onrechtvaardigheden vandien. Soms moet een roman concurreren met twee of meer andere uitstekende boeken uit hetzelfde jaar en is de keuze dus, in zekere zin, niet eerlijk. In een wat magerder jaar heeft een misschien wat minder boek wat meer geluk. Mij lijkt dat voor een prijs – en zeker een relatief jonge prijs als de Biesheuvelprijs – de continuïteit voorop zou moeten staan.

Ook kun je je afvragen of de voorselectieprocedure van de Biesheuvelprijs niet wat actiever mag. Bij de Campertprijzen was (is?) de gewoonte dat de jury een brede keuze uit het aanbod van het te jureren jaar opvraagt. Zou de Biesheuveljury dat ook niet kunnen doen? Ik denk dat elke uitgeverij die zich waagt aan het uitgeven van een commercieel weerbarstig genre als verhalenbundels blij is met de mogelijke extra aandacht die een nominatie of prijs oplevert en er graag drie exemplaren voor afstaat.