Wie is Stijnen?

Door Henk Wolf

Maandag stond er in de Trouw een passage waar ik even niets van begreep. Het gaat om het volgende stukje tekst uit het artikel De partneralimentatie wordt verkort; vrouwen staan financieel op eigen benen van Barbara Vollebregt:

De man van Susan Stijnen (44) verdient meer en werkt fulltime. Om te kunnen zorgen voor hun twee kinderen gaat Stijnen in goed overleg parttime werken. In 2006 loopt hun huwelijk na zeven jaar op de klippen. Ze ontvangt vervolgens tien jaar lang partneralimentatie. “Dat geld had ik ook echt nodig”, zegt Stijnen. Toch vind ze het verkorten van de partneralimentatie geen slecht idee.

Ik denk dat wel meer mensen in Noord-Nederland het stukje een paar keer moesten lezen, voor ze het begrepen, terwijl het overgrote deel van het taalgebied waarschijnlijk niet snapt waar in vredesnaam verwarring uit kan ontstaan.

In Nederlandstalige journalistieke teksten is het gebruikelijk om personen van beiderlei kunne met voor- en achternaam te introduceren en ze vervolgens alleen met de achternaam aan te duiden. Dat is hier ook gebeurd met Susan Stijnen.

In het Fries en het omgangstalige Friese Nederlands geldt echter een andere conventie. Zoiets als het Standaardnederlandse meneer of de heer wordt daar nauwelijks gebruikt. Een losse achternaam verwijst dan altijd naar een man: Bakker is dan altijd een man, terwijl zijn vrouw frou Bakker is. In het geschreven Fries wordt die conventie ook vaak gehanteerd. Als illustratie twee fragmenten uit Sa’n tûzen blauwe skriften, de biografie van schrijver Reinder Brolsma door Doeke Sijens (2001):

Yn desimber 1952 krige frou Brolsma de gryp. Brolsma bleau moedich. ‘Het huishouden kan ik wel af – we zijn maar met z’n beiden.’
[In december 1952 kreeg mevrouw Brolsma de griep. (Meneer) Brolsma bleef moedig. ‘Het huishouden kan ik wel af – we zijn maar met z’n beiden.’ – vertaling HW]

Sûnder mis hie frou Brolsma in oerhaal hân, al neamde Brolsma dat wurd net yn ‘e brieven oan syn dochter.
[Ongetwijfeld had mevrouw Brolsma een beroerte gehad, al noemde (meneer) Brolsma dat woord niet in de brieven aan z’n dochter. – vertaling: HW]

Gewend als ik ben aan die conventie, las ik het stukje uit de Trouw ook alsof Stijnen stond voor meneer Stijnen. Dan is het wat raadselachtig: dan werkt meneer Stijnen fulltime, maar gaat  hij om voor de kinderen te kunnen zorgen parttime werken – da’s nog logisch. Dan gaan de Stijnens scheiden en krijgt mevrouw Stijnen van meneer Stijnen alimentatie – ook nog logisch. Vervolgens klaagt meneer Stijnen dat hij dat geld eigenlijk nodig had gehad – ook nog logisch, als is het woordje ook wel wat gek en lijkt het voltooide deelwoord gehad te ontbreken. Maar dan is er opeens een onverklaarbare ze die het verkorten van de partneralimenatie geen slecht idee vindt. Onbegrijpelijk.

Het duurde even voor ik begreep dat Stijnen hier mevrouw Stijnen was, Susan Stijnen dus. Dat laat zien hoe krachtig ons taalbegripsmechanisme is: we slaan een verkeerd interpretatiepaadje in, dat lijkt een tijdje goed te gaan, dan ontdekken we dat wat we net hebben gelezen onzin is – en als een gek slaan onze hersenen aan het zoeken naar een conventie die een zinvolle interpretatie oplevert.