To plough and cow stable: het Nederlands als etnische taal

Door Henk Wolf

‘Naar ploeg en koestal vluchtte uw taal’, schrijft Piet Paaltjens in zijn gedicht De Friesche poëet. De taal waar hij het over heeft, is het Fries. Oebele Vries heeft de zin gebruikt als titel van een boek, met als ondertitel ‘De verdringing van het Fries als schrijftaal door het Nederlands (tot 1580)’. Die titel zegt bijna alles: in de tijd van een mensenleven, grofweg tussen 1500 en 1580 maakte het Fries als algemene schriftelijke omgangstaal plaats voor het Hollands (en later het Standaardnederlands). Dat begon op kleine schaal in de ambtenarij. Stap voor stap werd het Fries vervolgens uit het schriftelijke domein weggedrukt.

Het mondelinge domein volgde en in de achttiende eeuw was het Fries vermoedelijk grotendeels uit het openbare stadsleven verdrongen. De ploeg en de koestal staan bij Haverschmidt symbool voor het platteland als laatste domein waar het Fries (mondeling) bleef voortbestaan, maar ze hadden evengoed kunnen staan voor het gezin, waar het in een minderheid van de gevallen tot in onze tijd een verborgen bestaan leidt, ook in de steden.

Dankzij de Friese beweging heeft het Fries in de steden, in het openbare gebruik en op schrift sinds de negentiende eeuw enig terrein teruggewonnen, maar het Fries is nog steeds de uitzondering, terwijl het Nederlands de regel is. En die regel wordt voortdurend verdedigd met uitspraken als ‘iedereen moet het kunnen verstaan’, ‘we wonen allemaal in Nederland’, ‘er zijn ook mensen bij die niet uit Friesland komen’. Niet iedereen kan het zo verwoorden, maar de idee achter die uitspraken is dat het Nederlands binnen de landsgrenzen de taal voor iedereen zou zijn en het Fries een zogenaamde etnische taal – een term die uitdrukt dat een taal wordt gezien als uitsluitend voor leden van een groep, in dit geval een groep waarvan het lidmaatschap erfelijk is. Niet dat dat de werkelijkheid goed beschrijft: van de ongeveer 470 duizend mensen in Friesland die redelijk tot zeer goed Fries spreken, heeft een derde die taal buitenshuis geleerd.

Nederlands als etnische taal in Nederland

De idee bestaat echter: het Nederlands zou de taal voor iedereen in Nederland zijn. Maar die idee botst met wat de Universiteit Twente bestaat. In het belang van inclusie wil die organisatie juist dat er zoveel mogelijk Engels wordt gesproken. Zo staat er in de taalgedragscode onder meer:

Inclusion is the guiding principle in communication on campus. When communicating with non-Dutch employees or students, the official language is English. In the case of communication between Dutch employees or students only, the choice of language is left to those present.

Formal communication with students and staff takes place is in English.

The language of the meeting is based on the principle of inclusiveness: if a non-Dutch person is present, the language of the meeting is English. If the language of the meeting is Dutch, the decisions must be drawn up in English.

Het Nederlands, door de Friezen als universele taal van Nederland aangewezen, wordt door de UT als etnische taal aangemerkt: geschikt voor de leden van de groep geboren Nederlanders, maar niet voor algemeen gebruik.

Inclusiviteit

Inclusiviteit is een modewoord. Het houdt ongeveer in dat zoveel mogelijk mensen het leven en werken mogelijk wordt gemaakt en dat is natuurlijk een mooi idee. In de praktijk betekent het echter ook dat het verrichten van bepaalde inspanningen als strijdig met die inclusiviteit wordt gezien. Soms terecht: je kunt natuurlijk niet van een blinde verwachten dat ie een PowerPoint-presentatie afdraait op een standaard-smartboard. En soms onterecht: het leren van een etnische taal wordt als een te grote inspanning beschouwd. Dat was in Friesland deels al het geval voor het Fries, en in Twente voor het Twents, nu is het in Twente ook het geval voor het Nederlands.

Het omgekeerde geldt niet. De Fries of Twent die het Nederlands niet goed beheerst, moet dat bijspijkeren. En over de Nederlandstalige die het Engels niet goed machtig is, schrijft de UT:

Er is afgesproken dat vanaf 1 januari 2020 dat ook alle formele besluiten en (voor zover mogelijk) alle onderliggende documenten in ieder geval ook in het Engels beschikbaar worden, zodat iedereen bij de UT besluitvorming goed kan volgen en kan meepraten.

Medewerkers die hier moeite mee hebben krijgen extra begeleiding en training.

Helemaal vrijblijvend zijn die eisen niet:

De Nederlandse en Engelse taalvaardigheid van medewerkers moet passend zijn bij de taken waarmee medewerkers zijn belast. Aan de Engelse taalvaardigheid zijn per functieprofiel minimumeisen vastgesteld die variëren tussen B1 en C1 volgens Europees referentiekader.

Het Engelse taalvaardigheidsniveau wordt aangetoond middels een taalvaardigheidstoets of erkend certificaat.

Het omgekeerde geldt niet:

Met het oog op het bevorderen van integratie in de Nederlandse samenleving worden vast aangestelde, internationale medewerkers bovendien actief aangemoedigd en gefaciliteerd om Nederlands te leren

Strenge eisen voor de beheersing van de ‘universele taal’, vrijblijvende aanmoediging waar het de beheersing van de ‘etnische taal’ betreft – voor wie zich geregeld met de kerndoelen voor de vakken Fries en Nederlands en met taalbeleid bezighoudt, klinkt het heel bekend.

En in een vraag-en-antwoordlijstje staat bij de mogelijke tegenwerping ‘I am too busy to write a document in English’:

Writing documents in English costs more time, especially in the beginning. There are many tools available to help you write in English. Please read the information on the Tools and support page.

Volgens de lijn der verwachting staat er nergens dat mensen die het schrijven in het Nederlands lastig vinden, zich die moeite maar moeten getroosten en dat ze daarbij gebruik kunnen maken van allerlei hulpmiddelen.

Etniciteit

De kijk van de UT op het Nederlands als etnische taal blijkt niet alleen uit de behandeling van het Engels als ‘universeel’, maar ook uit de directe één-op-éénkoppeling tussen taal en nationaliteit. Zo schrijft de universiteit:

Inclusion is the guiding principle in communication on campus. When communicating with non-Dutch employees or students, the official language is English.

The language of the meeting is based on the principle of inclusiveness: if a non-Dutch person is present, the language of the meeting is English.

Inboorlingachtiger kun je het Nederlands eigenlijk niet voorstellen. Dat het Nederlands ook de taal is van ruim de helft van de Belgen, van de grote meerderheid van de Surinamers en van heel erg veel buitenlanders die in Nederland, België en Suriname wonen, wordt simpelweg vergeten. Een Nederlander, een Vlaming, een in Nederland opgegroeide Turk en een goed ingeburgerde Duitser die deze regel naar de letter zouden volgen, zouden zich gedwongen voelen in het Engels te vergaderen of elkaar Engelstalige mailtjes te sturen.

Rechten

Commissaris van de Koning in Friesland Arno Brok zei in 2018 dat het gebruik van het Fries in Friesland “een fundamenteel recht” is en minister van Binnenlandse Zaken Kajsa Ollongren zei: “Iedereen die dat wil, moet zich in Friesland in het Fries kunnen uitdrukken.” Dat sluit aan bij een Fries discours waarin het als onrecht wordt beschouwd als mensen worden gedwongen een vreemde taal te spreken. Het Fries heeft voor het onder druk spreken van een vreemde taal zelfs een apart werkwoord: jin ferbrekke.

De Friese beweging heeft sinds de jaren vijftig juridische bescherming afgedwongen van het recht van Friezen om zich niet te ferbrekken, dus om in Friesland in allerlei situaties Fries te spreken. Het recht om in de rechtbank Fries te gebruiken is bij de buitenwacht waarschijnlijk het bekendst, maar het bestaat ook in democratische gremia als gemeenteraden. Het bijbehorende discours is in de rest van Nederland niet zo bekend, maar een Friese beweger die een Baskische of Vlaamse of Welshe beweger tegenkomt, heeft meteen een gemeenschappelijk referentiekader, want ook in de streken waar die mensen vandaan komen, werd de druk gevoeld het recht op het gebruik van de eigen taal juridisch te bevechten.

Framing

Wat de Universiteit Twente momenteel doet is door Engelstalig onderwijs aan te bieden uitsluitend studenten aan te trekken die het Engels redelijk machtig zijn. Uiteraard ontstaat er dan een situatie waarin een groot deel van de studentenpopulatie het Engels als gemeenschappelijke taal gebruikt. Zou de universiteit uitsluitend Duitstalige of Franstalige colleges gaan aanbieden, dan zou de dominante taal van de studenten onderling Duits of Frans worden. Dat is zelfselectie. Nu presenteert de UT het Engels als een vanzelfsprekend onderdeel van het “opleiden tot burgers van een internationale gemeenschap” en het “voor[…]bereiden op een carrière in een internationaal werkveld in de techniek of een aanverwant (toepassings-)gebied”. Het recht van die zelfgevormde Engelstalige populatie om zich de moeite van het leren van het Nederlands te besparen wordt aannemelijk gemaakt door een frame dat in Nederland voorheen alleen voor kleine talen als het Fries werd gebruikt: dat van de etnische taal. Dat is retoriek en die retoriek verdient weerwoord.

De situatie is in het Nederlandse taalgebied niet zonder precedent. Terwijl in de Friese steden van de zestiende eeuw het Nederlands het Fries naar ploeg en koestal verdrong, deed het Frans dat met het Nederlands in het Brussel van de negentiende en twintigste eeuw, waar het Nederlands een stuk minder universeel is dan het Frans. Het resultaat is een dominant Franstalig Brussel, waarin de Vlaming zich al lang niet meer thuisvoelt.

Het Twents is in Twente al lang naar ploeg en koestal gevlucht. Het Nederlands moet die vlucht niet volgen. Een bewindspersoon die het recht om in Twente Nederlands te spreken verdedigt, is misschien niet zo’n slecht idee. To plough and cow stable both your languages fled is geen titel van een studie waar Nederlandstaligen naar uit hoeven kijken.