Mystiek lichaam

Foute boeken? Uit de kast (13)

 

Door Nico Keuning

Die overgevoelige identiteitsmaatschappij is iets van deze tijd, dacht ik. Maar na herlezing van Mystiek lichaam (1986) van Frans Kellendonk en alle ophef die over de roman ontstond nadat Aad Nuis, D66-lid van de Eerste Kamer en literatuurcriticus van de Volkskrant, de schrijver beschuldigde van antisemitisme, weet ik beter. Al ruim dertig jaar geleden werd een schrijver, op basis van uitspraken van een of meer personages in zijn roman, door een criticus met een overdosis aan politieke correctheid beticht van antisemitisme. In de slipstream van Aad Nuis (‘Aap Muis’ volgens Gerard Reve) volgde kritiek van andere critici, recensenten en columnisten. Alweer een literaire rel geboren uit een misverstand.


Mystiek lichaam is nog steeds een prachtige roman, waarin racisme, antisemitisme, katholicisme, liefde, seks, homoseksualiteit, AIDS, sterven en dood een prominente rol spelen. De homoseksualiteit wordt in de roman verheven boven de burgerlijke moraal van het huwelijk en kinderen krijgen. Maar uiteindelijk bereikt de (groot)vader door zijn dochter Magda (‘Prul’) zijn geluk met de geboorte van een (klein)zoon en staat de homoseksuele man (Leendert in de roman, ook wel Broer) aan het eind van zijn leven met lege handen. Niet voor niets luidt de laatste zin van de roman, waarin de verteller zich tot de dood richt: ‘Tot mijn vlees bruidswit is zal ik je werk doen, in de zekerheid dat ik door jou zal worden opgeheven en over de drempel gedragen, onsterfelijke dood.’ Kellendonk leed tijdens het schrijven van Mystiek lichaam net als ‘Leendert’ zelf aan ‘that new disease’, dat ‘bizar letterwoord’ AIDS, waaraan hij in 1990 op 39-jarige leeftijd overleed.

Niet Leendert is onsterfelijk maar de dood, al leeft Kellendonk tot op de dag van vandaag voort in zijn literaire oeuvre. Maar het is tragisch dat zijn laatste roman, waarin hij de essentie van zijn leven heeft beschreven tegen de achtergrond van zijn afkomst, door een kortzichtige beoordeling in een vals daglicht is komen te staan. Want wat zeggen de personages (niet Kellendonk) eigenlijk over de Joden. Goed, de 66-jarige vader A.W. Gijselhart, de sjacheraar die zichzelf daarom ‘een witte Jood’ noemt, is aanvankelijk niet dol op de Joodse Bruno Pechman, de vriend, later de man van zijn dochter Magda. Gijselhart noemt hem ‘met onverhulde jodenhaat’ Sallie Appelsien. Een uitvreter, uit Zwitserland. Magda heeft voordat zij met Pechman zal trouwen ook haar bedenkingen over hem: ‘Over Leendert zegt hij dat zo’n broer van de verkeerde kant op verworden bloed wijst dat iemand die zelf jood is zulke taal uitslaat vind ik een gotspe wie boter op zijn hoofd heeft moet niet in de zon gaan lopen.’

Het moederschap maakt voor Magda echter veel goed. Ook A.W. Gijselhart kiest, als hij met de geboorte van Victor (‘Torretje’) grootvader is geworden, voor zijn joodse schoonzoon en valt zelfs zijn eigen zoon Leendert af. Wel jammer dat Victor een Jood is, vindt Gijselhart. Wat Pechman ontkent. Moeder Magda is immers niet-joods. Pechman, ‘de Ander’:

‘“Voor de joodse wet is Victor helemaal geen jood,” zei de Ander met veel spuug. “Alleen voor de nazi’s. Voor de nazi’s zou hij hooguit een halve jood geweest zijn.”’

Over het ‘scheppen’ van een kind zegt Magda: ‘Dat kunnen wij toch alleen en met veel minder zweet dan zij vergieten moeten voor hun wereldrecords hun onsterfelijke kunstwerken.’ En over homoseksualiteit:

‘De dwazen ze verspillen hun liefde aan elkaar kijk toch eens. Ze hebben moeder aarde vaarwel gezegd ze zijn op seksuele ruimtevaart gegaan. Ingebeeld en dom zijn ze en eenzaam zullen ze sterven dat is waar hun mannenwaan toe leidt. Dat ik mijn bloedeigen Broer zo tegennatuurlijk bezig moet zien!’

De uitspraken over homoseksualiteit liegen er niet om. Dat zou in onze tijd misschien weer verkeerd zijn begrepen en een rel hebben veroorzaakt. Kellendonk stelt nu eenmaal – in de woorden van zijn personages – wezenlijke maatschappelijke kwesties aan de orde. Het kind van Magda en Bruno is volgens de kinderarts lui. ‘Volgens Gijselhart lag het aan het ras van de vader. “Er zijn maar twee ledematen die de jood graag beweegt en die zijn allebei botloos. Het ene is zijn tong en het andere ken je ook. Wacht maar tot de jongen wat groter is, dan krijg je nog heimwee naar je slome baby.”’

In de allegorische figuur ‘de Geschiedenis’, zegt de klerk die als verteller optreedt: ‘En er zat ook ergens een jood in het verhaal verstopt, ze voelde het. Flikkerij en jodendom, dat was van hetzelfde overbodige laken een pak.’ De Joden zijn de moeder van de geschiedenis en hebben zich volgens de klerk ‘tot het uitverkoren volk benoemd en zo de rest van de mensheid overbodig verklaard. Vreselijk volk! Ze hadden toch kunnen nagaan dat ze zelf overbodig verklaard zouden worden. De Geschiedenis had haar buik vol van joden. Ze kon geen jood meer zien.’

‘“Klerk,” waarschuwde ze, “doe iets aan die ongerechtigheid! Je ruimt die Broer op en houdt de Jood buiten de deur, of ik ga weg!’

Voor Aad Nuis en anderen genoeg aanleiding voor ‘een rel’, zoals de paragraaftitel luidt van het hoofdstuk ‘Zondebok’ in de biografie Kellendonk (2018) van Jaap Goedegebuure, die schrijft dat Nuis en andere critici in hun besprekingen de pen hanteerden ‘als stiletto en de typemachine als een mitrailleur’: ‘Om kracht bij te zetten aan zijn redenering dat je de auteur wel degelijk kon aanspreken op zulke abjecte opvattingen citeerde hij uit het NRC-interview Kellendonks uitspraak dat de “luie suggestie dat er zoiets als een multiculturele samenleving zou kunnen bestaan” even gevaarlijk was als een “eng nationalisme”.’ Evenals bij de porno-rel rond Harnas van Hansaplast van Charlotte Mutsaers (zie: Uit de kast 12) werden teksten van de schrijver uit een interview vermengd met fictie in de roman.

Kellendonk werd uitgedaagd zich te verantwoorden. Voor de VPRO-radio las hij een tekst voor waarin hij stelde dat ‘een boek dat antisemitische uitspraken bevat niet per se antisemitisch [is]’. ‘Wat hem flink dwarszat,’ schrijft Goedegebuure, ‘was het gemak waarmee hij was beschuldigd, terwijl hij toch alleen maar had laten zien welke psychische en sociale mechanismen er achter het racisme schuilgingen’. Hoe actueel! Een boek voor de verplichte literatuurlijst.

Daar dacht men in 1986 dus heel anders over. Ook Theodor Holman keurde onder het pseudoniem Opheffer het boek af in zijn column voor De Groene Amsterdammer: ‘Slecht geschreven omdat de vermeende ironie er niet duidelijk in tot uiting komt en dus “staat er wat er staat” en dat is antisemitisch.’ Goedegebuure: ‘Bij monde van Douwe de Vries was het protestants-christelijke Friesch Dagblad van mening dat er uit Mystiek lichaam een weerzinwekkende geur van troebel water, rotte eieren en drek opsteeg.’ Hans Groenewegen noemde de roman in De Waarheid ‘anti-joods (…) in zijn probleemstelling’. Robert Anker had zich in zijn recensie in Het Parool afgevraagd of de antisemitische uitspraken van Gijselhart ‘niet door een rechter getoetst zouden moeten worden’. Anker maakte toespelingen op rechtszaken van Gerard Reve en W.F. Hermans (Ik heb altijd gelijk 1951). In deze roman haalt hoofdpersoon Lodewijk Stegman uit naar de katholieken:

‘De katholieken! Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk! Maar díe naaien er op los! Die planten zich voort! Als konijnen, ratten, vlooien, luizen. Die emigreren niet! Die blijven wel zitten in Brabant en Limburg met puisten op hun wangen en rotte kiezen van het ouwels vreten!’.

Hermans die wegens belediging van een bevolkingsgroep voor de rechter werd gedaagd, werd overigens vrijgesproken. Niet Hermans had de katholieken beledigd, maar Stegman.

Ook Carel Peeters mengt zich in de discussie. Wam de Moor was het niet met Nuis eens en vond dat Kellendonk de lezers juist aan het denken zette. Het bleef in een onderlinge polemiek tussen recensenten en columnisten nog lang onrustig in literair Nederland. Toch blijft het vreemd dat de ‘intellectuele goegemeente’ (Zie: Uit de kast 10) de roman zo heeft mis kunnen verstaan. Dat men zo direct op de man heeft gespeeld; de schrijver aanviel op wat hij in de woorden van zijn personages aan de orde wilde stellen. De reactie van Nuis c.s. lijkt op die van de man in de zaal van de schouwburg die na de toneelvoorstelling de acteur die de dief speelde, opwacht en in elkaar slaat.

De affaire hakte er stevig in bij Kellendonk. ‘“Meende ik vroeger in mijn eentje tegenover de rest van de wereld te staan,” verzucht hij in een brief aan zijn vertrouweling Ed Spanjaard, “nu is dat isolement verhevigd tot oorlog.”’ Als reactie op de affaire wilde Kellendonk een ‘politieke roman’ schrijven over Kerwin Duinmeijer, ‘de jongen die op de Damstraat door een gek vermoord is en toevallig zwart was’. Kellendonk reisde naar de Antillen, waar Duinmeijer op Curaçao werd geboren, om zich in zijn hoofdpersoon en de lokale cultuur te verdiepen. Het schrijven viel stil toen hij eind 1987 door de Rijksuniversiteit Leiden voor vier maanden als gastschrijver werd uitgenodigd. De laatste jaren was Kellendonk vooral in gevecht met ‘that new disease’.

In Mystiek lichaam vertelt Leendert ‘in theevisitestijl , met laconieke wegwerpgebaren’ aan zijn vriend ‘dat hem de dood was aangezegd’. Als het om sterven gaat, wordt vaak De dood van Ivan Iljitsj, van Lev Tolstoj, genoemd. Een mooie novelle, waarin de hoofdpersoon er terugkijkend op zijn leven achter komt hoe vals en onecht de mensen om hem heen zijn geweest in hun ambitie en eigenbelang. Mystiek lichaam bevat eveneens prachtige passages die je meevoeren op weg naar het einde.

‘Het voor je uitschuiven van de dood schonk vrijheid, de dood zelf niet. Vrijheid is een suïcidale toestand, concludeerde Broer. Voor de verdediging van je vrijheid was de kernbom inderdaad het meest geëigende wapen. Hij voelde zich op het ogenblik zo onvrij omdat hij niet meer kon leven alsof hij zijn dood in eigen hand had.’

De afspraak met de dood is een slordige afspraak. Wanneer zal de dood hem komen halen?

‘Misschien had hij zich in de datum vergist. Hij was veroordeeld tot wachten. En wachtend wilde hij nog maar één ding: doodgaan, zijn jongen achterna. Steeds heviger verlangde hij naar het ogenblik dat de tekenen van het einde zich in zijn lichaam zouden openbaren. Dan zou iedere dag weer meegenomen zijn.’