Met de flat is weinig mis, met de bank wel

Door Henk Wolf

Op de voorpagina van de Trouw stond vrijdagochtend de volgende kop:

  • Met de flat is weinig mis, met de bank wel

Dat is een mooie zin om te illustreren dat taal verschillende niveaus kent. Mijn taalgevoel verzet zich tegen de zin en ik kan ook uitleggen waardoor, maar ik begrijp (denk ik) ook hoe het komt dat anderen hem wel goed vinden.

Het syntactische niveau

Vermoedelijk vinden alle Nederlandstaligen dat de onderstaande zinnen goed klinken:

  • De stoel is niet kapot, de bank wel.
  • Met de flat is niet veel mis, met de bank wel.

Het woordje wel is het tegenovergestelde van het woordje niet. Ingekorte zinnetjes met wel erin zijn alleen te gebruiken als ze direct volgen op een volledige zin met niet erin. Dat is een zogenaamde syntactische regel: een instructie die je ingebouwde zinsbouwmechanisme volgt bij het maken van zinnen.

De zin uit de krantenkop is met die instructie niet te maken: hij overtreedt een syntactische regel. Mijn taalgevoel slaat dan alarm en roept: “Dat klinkt niet!”

Het pragmatische niveau

De koppenmaker van de Trouw heeft een taalgevoel waarbij de regel voor het gebruik van ingekorte zinnetjes met wel op een ander niveau werkt dan op het syntactische.

Als we zeggen dat er met iets ‘weinig mis is’, dan bedoelen we dat er niet veel mee mis is, dat het niet slecht is. We gebruiken een stijlfiguur die understatement wordt genoemd.

Hoewel het woordje niet ontbreekt in de zin ‘Met de flat is weinig mis’, is het op een bepaalde manier in de interpretatie wel aanwezig. Sommige mensen kunnen op zinnen met zo’n niet uitgesproken maar wel bedoeld woordje niet ook een ingekort wel­-zinnetje laten volgen.

Het zinsbouwmechanisme van die mensen hanteert voor het gebruik van ingekorte wel-zinnetjes geen syntactische regel, maar een pragmatische: eentje op het niveau van de bedoeling. Een andere manier van zeggen is dat mijn taalgevoel hier een regel gebruikt op het locutionaire niveau en dat van de Trouw-koppenmaker eentje op het illocutionaire niveau. Afhankelijk van de artikelen die een taalkundige het meest leest, zal ie misschien liever het begrippenpaar letterlijk niveau en interpretatief niveau gebruiken, of oppervlaktevorm en logische vorm, of nog een ander paar.

Niets

Mijn taalgevoel werkt voor de plaatsing van ingekorte wel-zinnetjes dus met een syntactische regel: een die gebaseerd is op wat er letterlijk in de zin staat en niet met wat er wordt bedoeld. Toch lijkt daarop een uitzondering te bestaan. Ik denk dat dat een schijnbare uitzondering is. Die uitzondering is dat ik de ingekorte wel-zinnetjes ook kan laten volgen op zinnen zonder niet, maar met woorden waarin de ontkenning besloten zit, zoals niets, nooit en zonder.

Een paar voorbeelden:

  • Met de flat is niets mis, met de bank wel.
  • Zij gaat nooit met de trein, hij wel.
  • Hij gaat zonder jas de deur uit, maar wel met een hoed op.

Dat ik die zinnen best goed vind, is vermoedelijk te verklaren doordat het woordje niet in die woorden verstopt zit. Het staat er niet letterlijk, maar je hebt ook geen kennis van stijlfiguren of andere contextfactoren nodig om de woorden als ontkennend te interpreteren: niets is dan niet+iets, nooit is niet+ooit en zonder is niet+met. Veel Nederlandstaligen kunnen die woordgroepen ook helemaal niet gebruiken: de twee woorden moeten samensmelten tot het ene ontkennende woord.

Daar is veel over geschreven. Je kunt het ook makkelijk nagaan: vraag maar eens aan een argeloze voorbijganger wat het tegenovergestelde is van niets: grote kans dat ie na enig aarzelen “wel iets” zegt.