‘Loterij’ (1845)

Jeugdverhalen over joden (71)

Door Ewoud Sanders

Auteur: Jan Pieter Heije (1809-1876)

‘Duizend gulden voor een’ cent,
Honderd duizend voor een’ gulden:
Was je kaal, of had je schulden,
Morgen ben je een rijke vent!
Boeren, burgers! komt er bij:
Morgen trekt de Loterij!’

Joodje, was ik in je steê,
’k Zou die lootjes zelf maar houên;
Elleboog komt door je mouwen,
En je broek wil niet meer meê:
Waarom trek je zelf, als ’t kan,
Niet die honderd-duizend, man?

Och, ’t is wind, die Loterij!
Mannen, broeders! wilt je kiezen
Tusschen winnen en verliezen,
’k Weet een spel, daar win je bij…
Wie er daags tien centen spáár’,
Wint drie duizend alle jaar.

Herkomst en drukgeschiedenis

Jan Pieter Heije werkte vijfentwintig jaar als arts in zijn geboorteplaats Amsterdam. Hij had zitting in allerlei besturen die zich inzetten voor de verheffing van het Nederlandse volk en was zeer productief als tekstdichter. Hij schreef ruim vijfhonderd volksliedjes, waarvan zo’n honderdvijftig voor kinderen. Hij is de auteur van klassiekers als ‘Zie, de maan schijnt door de bomen’, ‘Ferme jongens, stoere knapen’ en ‘Een karretje op den zandweg reed’.

‘Had zijne taal een lichten zweem van praetensie, iets al te korrekts, zijn gemoed en zijn geest waren in den grond aan alle stijfheid vreemd’, schreef J.A. Alberdingk Thijm in 1877 in Heije’s levensbericht. ‘Wat heeft hij niet al voor de kinderen gedaan! Welk een overvloed van geestige, gevoelige, echt natuurlijke en toch echt verheffende liedtjens heeft hij den kinderen, armen en rijken, in den mond gelegd!’ En J.E. van Renesse schreef in Heije’s necrologie: ‘Men gevoelde dat zijne dichten en zangen door een gezonden, echt nederlandschen geest waren ingegeven vol kern en pit, vol teederheid en kracht.’

Heije schreef voor diverse almanakken, waaronder de Enkhuizer Almanak, Tot Nut van ’t Algemeen die in een zeer grote oplage werd verspreid. Hierin verscheen in 1845 het hierboven geciteerde gedicht ‘Loterij’, slechts ondertekend met een H. Naast de tekst staat deze afbeelding:


Illustratie uit de Enkhuizer Almanak van 1845.

Net als veel andere volksopvoeders uit zijn tijd, vond Heije het kopen van loten verspilling. Die verkoop was toen grotendeels in handen van joden. In de volksmond werden zij loterij-joden genoemd. Of je nu een lot kocht voor één cent (te winnen prijs: duizend gulden) of voor één gulden (te winnen prijs: 100.000 gulden): volgens Heije leverde sparen gegarandeerd meer op.

Heijes gedicht is tientallen malen gepubliceerd: in kranten, tijdschriften en bundels. Ik vond drie uitgaven met naast het gedicht een illustratie. Die illustraties lijken sterk op elkaar, maar zijn steeds opnieuw gemaakt. Ze vertonen kleine verschillen.

Zo laat de ‘loterij-jood’ op de bovenstaande gravure een plakkaat zien met vijf nummers: oplopend vanaf 1000. Maar op de afbeelding hieronder staan nog maar vier cijfers, oplopend vanaf 10.000. Ook is de kleding van de lotenverkoper iets minder gedetailleerd.


De loterij-jood in een prijsboekje uit circa 1846.

Deze illustratie verscheen in een prijsboekje getiteld Belooning voor vlijt en goed gedrag op de Stads Armen-scholen te Amsterdam. Het ongedateerde boekje, waarschijnlijk uit 1846, was bedoeld als geschenk voor jongens en meisjes van zes tot veertien jaar. Ingericht als agenda, staat bij iedere dag van het jaar staat een raadgeving, gedicht of levensles. Heije wordt niet als auteur genoemd.

‘Vertelseltjes, eenmaal gelezen, verliezen spoedig hunne waarde’, schrijven de curatoren van de armenschool in een beknopt voorwoord. ‘Het boekje, dat gij thans ontvangt, heeft het voordeel dat het zijne waarde nooit verliest, want de raadgevingen en lessen, daarin vervat, zijn van belang op elken leeftijd. (…) Om u ook in uw volgend leven met onze raadgevingen op zijde te staan, hebben wij dit boekje zamengesteld uit verschillende goede boeken. Wij hebben er veel moeite aan gehad, maar die moeite zal rijkelijk beloond worden, zoo onzen arbeid iets moge toebrengen aan uw geluk.’

Omstreeks 1860 verscheen een nieuwe druk onder de titel Belooning voor vlijt en goed gedrag op de Openbare Armen-scholen te Amsterdam. Wederom werd de illustratie herzien. De grootste verandering betrof ditmaal het bord boven de deur: ‘Loterij’ is gewijzigd in ‘Staats / Loterij’. De Staatsloterij is opgericht in 1848.


Illustratie uit een prijsboekje van omstreeks 1860.

Bij mijn weten nam Jan Pieter Heije het gedicht ‘Loterij’ in 1865 voor het eerst op in zijn bundel Al de volksdichten, in de rubriek ‘Op straat en in huis’, zonder illustratie. ‘Wat ik (…) in u liefhad of misprees, van u hoopte en voor u begeerde, mijn Volk!’, aldus de 56-jarige Heije, ‘sprak ik méést uit in kleine Liedren en Dichten die, als gevleugeld zaadhulsel, door den adem des Tijds gedreven, overal zijn heengewaaid. Thans (terwijl de Ouderdom reeds aanklopt!) heb ik ’t Beste wat ik van die zaadkorrels terug kon vinden, hier, als in een Bloemhof, bijeengeplant, of ’t zich, onder Gods Zegen, ontwikkelen mogt tot velerlei vrucht.’

Tekstvarianten

Enkele kleine tekstvarianten zijn het vermelden waard. Heije adviseert het ‘Joodje’ om zelf een lot voor de honderdduizend te kopen. Hij zou die prijs goed kunnen gebruiken; want, zo schreef hij in 1845: ‘Elleboog komt door je mouwen,/ En je broek wil niet meer meê’. In 1865 maakte de dichter hiervan: ‘uw mouwen’, ‘uw broek’.

In 1845 liet Heije het tweede couplet zo eindigen:

Waarom trek je zelf, als ’t kan,
Niet die honderd-duizend, man?

In 1865 maakte hij hiervan:

Waarom trek je zelf (als ’t kan!)
Niet die ‘honderd-duizend’, man?

Kortom: als het kan staat tussen haakjes en besluit met een uitroepteken, waarmee Heije lijkt te benadrukken: mocht je dat geld hebben of kunnen missen. De toegevoegde aanhalingstekens rond ‘honderd-duizend’ lijken te benadrukken dat het om onrealistische verkooppraat gaat of dat het inmiddels een gangbare uitdrukking voor een hoofdprijs is.

De grootste tekstvariant werd niet door Heije zelf aangebracht maar door de redacties van diverse kranten en tijdschriften. In de oorspronkelijke versie telt het gedicht drie coupletten, met in het tweede couplet een beschrijving van de arme joodse lotenverkoper. Bij mijn weten was de Goessche Courant in 1846 de eerste die het tweede couplet in z’n geheel wegliet – zonder dit aan te geven of toe te lichten. In 1872 werd het complete ‘joodje’-couplet weggelaten in Schetsen uit en voor het volksleven, in 1941 werd het geschrapt in Het wijde leven: leesboek voor de christelijke school.