Het hoogste lot (1865)

Jeugdverhalen over joden (72)


‘Loterij-jood’ Aron Meijer probeert Richard en George, beiden net afgestudeerd, loten te verkopen. Illustratie uit: Het hoogste lot (1865). De naam van de illustrator is niet bekend.

Door Ewoud Sanders

Auteur: Franz Hoffmann (1814-1882)
Uit het Duits vertaald door R. Bell

Herkomst en drukgeschiedenis

In 1842 begon Hoffmann, indertijd boekhandelaar, met het schrijven van jeugdboeken. Die werden zo geprezen dat hij besloot van zijn pen te gaan leven. Om genoeg te kunnen verdienen, sloot hij contracten af met verschillende uitgevers. Dit leidde tot een enorme productie: in veertig jaar tijd publiceerde hij ruim tweehonderdvijftig jeugdverhalen. P.J. Buijnsters en Leontine Buijnsters-Smets noemen Hoffmann in Lust en Leering (1997) ‘de absolute veelschrijver’. Al zijn werken hebben een sterk moreel-religieus karakter.

          Dat geldt ook voor Das große Loos uit 1862, dat in 1865 in het Nederlands werd vertaald door R. Bell, hoofdonderwijzer aan de Openbare Armenscholen te Amsterdam.

          Het hoogste lot verscheen bij C.L. Brinkman in Amsterdam en beleefde drie drukken: in 1865, 1877 en ergens voor 1882.

          In de samenvatting is geciteerd uit de eerste druk.


In Das große Loos uit 1862 heet de loterijverkoper Aaron Meier. De naam van de illustrator is niet bekend.

Samenvatting

Richard en George wonen in een voorstad van Berlijn en zijn net afgestudeerd. De brave, godvruchtige George is aangenomen als arts in een klein provinciestadje, de roekeloze Richard kan, eveneens diep in de provincie, aan de slag als ‘onbezoldigd referendaris’.

          De hartsvrienden staan net hun spaarzame huishoudgeld te tellen als er op de deur van hun studentenkamer wordt geklopt. Nog voor zij de kans krijgen om ‘binnen!’ te roepen, ‘werd de klink reeds opgeligt en door de half geopende deur blikte het oud en baardige gezigt van eene jood naar binnen; hij knikte den jongen lieden op de vertrouwlijkste wijze toe, even als of ze oude bekenden van hem waren, en toch had geen hunner dat gezigt ooit gezien’.

          Het gaat om de ‘loterij-jood’ Aron Meijer die zijn laatste loten wil verkopen. De trekking is de volgende dag. ‘Ik heb het geluk in mijne zak: 10.000, 20.000, 100.000 daalders; en ik geef ze u nog veel liever dan aan ieder ander’, zegt Aron ‘met eene scherp uitkomenden joodschen tongval’.

          ‘Praatjes, Jood!’, onderbreekt Richard hem, maar de jood ‘sluipt’ de kamer binnen en stort een woordenvloed over ze uit. ‘Ge weet wel, dat de laatste de beste zijn. (…) Grijpt toe, ik kan u verzekeren dat het nommer dat gij neemt, het hoogste lot zal winnen.’

          Hierop vraagt de verstandige George: ‘Als ge dat dan zoo zeker weet, mensch! Waarom

houdt ge dan dat lot niet voor u zelven?’ Aron: ‘Het lot brengt dan eerst geluk, als het in andere handen komt; een arme, oude marskramer toch kan niet winnen; zeker wint een schoone, jonge heer. Ik ben tevreden met mijne kleine percentjes.’

          Ondanks de protesten van George (‘het geld, dat gij daarvoor uitgeeft, is weggeworpen, vermorst’) koopt de impulsieve Richard een lot.

          Anders dan George heeft voorspeld, wint Richard de volgende dag een kapitaal: 200.000 daalders (een daalder was een zilveren munt van 30 stuivers). Richard en George zijn naar de loterijzaal gekomen. De ‘ouden jood’ Aron schreeuwt het uit van vreugde. Hij heeft ‘een gloeijend rood gezigt met oogen als vuurballen’ en zwaait hevig met zijn armen in de lucht.

          Richard geeft Aron een flinke tip. De jood kan niet stoppen ‘hem allen zegen des hemels en alle rijkdommen der wereld’ toe te wensen en Richard kan hem ‘met moeite weêrhouden den zoom van zijn rok met kussen te bedekken’.

          Van de godvruchtige George krijgt Richard een preek: het ware ‘hoogste lot’ is niet de prijs in een loterij, maar ‘het bewustzijn van naar mijne beste krachten, getrouw aan mijne pligt geleefd en gewerkt te hebben. Al het andere buiten dit is schaduw en damp’.

          Richard blijft in Berlijn, koopt paarden en een duur appartement; hij vergokt zijn kapitaal en raakt aan lagerwal. George wordt na enkele tegenslagen hofarts. Uiteindelijk kan hij zijn jeugdvriend aan een baan bij het hof helpen, zodat Richard eveneens het ware ‘hoogste lot’ wint. De morele boodschap dat plichtsbetrachting in plaats van geld in het leven het ware hoogste lot is, wordt tot vervelens toe herhaald in dit boek. Deze woordcombinatie komt er maar liefst vijfentwintig keer in voor.

Doelgroep en receptie

Van dit boek heb ik geen besprekingen gevonden.