Gedicht: Alfred Kossmann • Zelfportret 1964

Zelfportret 1946

1
’t Voorhoofd is hoog. Tot aan de oren ligt
het lange haar, alsof het dit gezicht
niet prijsgeeft aan de wereld en ’t bestaan
maar het behoedt. De neus vangt edel aan
tussen de ogen, buigt een ogenblik
en loopt ten slotte vormeloos en dik
uit boven de mond. Hij zwijgt of dit gelaat
krachtig zal zijn of moe ten onder gaat.
De ogen zijn vaak grauw achter de bril
en zwak, maar soms wanneer de blik het wil
helder en scherp. De mond is smal. Het schijnt
dat van de mondhoek uit de jeugd verdwijnt.
Daar schuilt van zijn ervaringen de schat
bitter tezaam, daar ziet men duidelijk dat
’t gezicht van de gemiste jeugd niet bloeit
maar langzaam tot zijn eigen vorm volgroeit,
en dan eerst waarlijk als het rijpen zal
uit al de bitterheid van zijn verval.

2
Wat groeit als in onvruchtbare grond
trekt voren neer van neus naar mond
en heerst soms over al wat loog
van teder haar en vriendelijk oog
gelijk de dorre distel die
in ’t voorjaar vol van ironie
de weidebloemen ziet ontluiken,
mooi worden, wiegen en lekker ruiken
en in de herfst met soevereine
verachting neerziet op hun kwijnen.

Alfred Kossmann (1922-1998)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.